Tweespraak tussen Oost en West in Weimar

De door de Iraanse president Khatami gepropageerde `dialoog tussen beschavingen' was gisteren hoofdonderdeel van het programma tijdens zijn visite aan Weimar, op de laatste dag van zijn driedaagse staatsbezoek aan de Bondsrepubliek.

`O Hafez, je woord is zo groot als de eeuwigheid want het heeft geen begin en geen eind', schreef Goethe. De beroemde Duitse schrijver (1749-1832) had diepe bewondering voor de Perzische dichter Hafez. Welke plaats leent zich in Duitsland beter voor een literair monument ter ere van Hafez dan Weimar – de stad van Goethe en Schiller?

De Iraanse president Khatami was gisteren, op de laatste dag van zijn driedaagse staatsbezoek aan Duitsland, geroerd toen op de Beethovenplatz in Weimar het monument werd onthuld: twee granieten stoelen die de door hemzelf zo gepropageerde dialoog tussen culturen verbeelden. Hafez leefde 400 jaar voor Goethe, maar deze zag desondanks een geestverwant in de Perzische dichter, zei de Duitse president, Johannes Rau. In zijn West-Östlicher Divan heeft Goethe een hoofdstuk aan Hafez gewijd. Rau beschouwt het monument als een aansporing de dialoog tussen beide culturen weer op te nemen.

Khatami zei vurig te hopen dat deze aubade aan Hafez, wiens werk nog steeds door de Iraniërs wordt gekoesterd, en Goethe de samenwerking van wetenschappers en denkers in Duitsland en Iran zal bevorderen. Want de ware helden van een `dialoog tussen beschavingen' zijn de denkers en niet de politici, zei hij. ,,Schrijvers en kunstenaars zijn de spirituele vertegenwoordigers van hun landen, die ook het beste zijn uitgerust het initiatief voor deze dialoog te nemen''.

Het bezoek aan Weimar was een kolfje naar de hand van de hoge gast op wie niet alleen de meerderheid van de Iraniërs, maar ook Duitsland de hoop voor hervormingen in Iran heeft gevestigd. De Thüringse stad, waar vroeger talrijke grote denkers en dichters werkten, symboliseert voor de Iraniër bij uitstek de tweespraak tussen Oost en West. Tijdens een discussie 's middags in het stadspaleis over de `Dialoog tussen Beschavingen' liet Khatami duidelijk merken dat Goethe hem vooral beviel omdat in zijn West-Östlicher Divan niets te merken is van ,,koloniale of hegemoniale belangen'', die kenmerkend waren voor de toenmalige Westerse politiek. Goethe erkende de gelijkheid van culturen, zei Khatami. Gottes ist der Orient, Gottes ist der Okzident, citeerde hij. ,,Het Oosten en Westen zijn niet meer te scheiden'', voegde de president in het Duits toe, dat hij in de jaren zeventig heeft geleerd toen hij twee jaar in Hamburg woonde.

Khatami sprak als een strenge professor. Hij droeg een zwarte tulband, een grijs pak met een bruine mantel van de Iraanse shi'itische geestelijke. Maar hij is een intellectueel, een filosoof, die een voorliefde heeft voor fijnzinnige dialectiek. Zijn ideaal is de platonische staat met de koning-filosoof, waarin de politici filosofen zijn. Tijdens zijn bezoek liet hij merken trots te zijn, dat hij zelf voor hij politicus werd, een ,,boeken lezende intellectueel'' was.

Maar de geraffineerde politicus die ook in hem schuilt, kon de president tijdens de discussie in het stadspaleis met Johannes Rau, wetenschappers en publicisten niet verbergen. Khatami hekelde de ,,propagandistische'' en ,,etnocentrische'' schrijver uit de koloniale tijd Rudyard Kipling. Met zijn verkondiging: `Oost is Oost, West is West' en beide zouden nooit tot elkaar komen, had Kipling het helemaal mis gehad. Vervolgens maakte Khatami de sprong naar zijn eigen politiek, die Oosterse en Westerse waarden met elkaar wil verbinden. Hij keerde zich tegen ,,versteend'' islamitisch fundamentalisme, maar ook tegen het verlies van religieuze traditie.

Toen Khatami een lans brak voor mensenrechten, rationaliteit, voor burgerrechten en sociale rechtvaardigheid, greep Rau snel de gelegenheid voor een kritische vraag. Hoe keek de Islamitische Republiek Iran dan tegen een pluralistische samenleving aan? Hervormingen betekende natuurlijk niet het accepteren van de Westerse opvattingen daarover, merkte Khatami in beleefde maar niet mis te verstane woorden op. ,,Westerse secularisatie kan niet het doel van de islam zijn. Als wij van hervormingen spreken verwachten we niet dat ze u bevallen.''

De katholieke theoloog Hans Küng probeerde de Iraanse leider op een andere manier het vuur na aan de schenen te leggen. Enkele demonstranten die in het streng beveiligde centrum van Weimar een fluitconcert organiseerden waren opgepakt, maar Khatami moest niet denken dat de kritiek daarmee uit de wereld was.

Kent de islam geen Reformatie, vroeg Küng. Zonder de Reformatie was de modernisering in Europa niet mogelijk geweest. De vrijheid van de christenen was de voorwaarde voor de vrijheid van het individu. Ook de joden hadden zich met Moses Mendelssohn hervormd. Die vraag viel bij de Iraanse president niet in goede aarde. Hij voelde zich als een ,,scholier'' die door zijn professor werd ondervraagd. Het Europese modernisme werd te veel door ,,materiële waarden'' beheerst, zei Khatami toen. Maar uit het feit dat er afkeer bestaat tegen orthodoxe conservatieve opvattingen blijkt volgens hem dat de islam wel degelijk moderniseert. Küng nam daarmee geen genoegen. Hoe keek het Iraanse regime aan tegen rechten van minderheden? Waren de onlangs veroordeelde Iraanse joden opgepakt omdat ze joden waren, vroeg hij. Küng leek de minister van Buitenlandse Zaken wel, spotte Khatami. Zou Iran net zo onder druk worden gezet als de spionnen boeddhisten waren geweest, reageerde hij bits.

Na afloop meende president Rau dat de dialoog ,,nuttig'' was geweest. Hij uitte bij het afscheid de wens dat Khatami de ,,vastgestelde gemeenschappelijkheden'' in de praktijk zal uitvoeren. De echte minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, noemde het bezoek van Khatami ronduit een succes. Economische belangen – Duitsland geldt voor Iran als belangrijkste handelspartner – hadden een rol gespeeld. Belangrijker is dat Khatami ,,een grote kans'' is voor mensenrechten, democratie, vrede en stabiliteit. ,,Daarom moeten we de hervormers steunen.''