Koop je rijk: laat centen zweten

CSM stapt in de rij Nederlandse concerns die hun geld op overnames zetten. Vette financiële buffers stonden mooi, maar winstgroei met geleend geld is nu lucratiever.

Welke wonderen doen optieregelingen voor expansielust en ondernemerschap van topmanagers. Voedingsbedrijf CSM deed tot begin 1999 niet aan opties – dat zijn kooprechten op eigen aandelen – voor topmanagers. Stijgt de beurskoers boven de prijs waartegen de manager de opties in aandelen kan omzetten, dan wordt de regeling lucratief.

Sinds de invoering van opties heeft CSM gebroken met een cruciaal element in haar financiële beleid. Het bedrijf was een typisch weduwen- en wezenfonds: een binnenvetter met een stabiel groeiend dividend die winst liever oppotte. Geen risicovolle uitgaven voor grote overnames. Met zo'n beleid hebben managers niets aan opties: lage groei, lage waardering op de beurs.

Bestuursvoorzitter J. Vink, gepokt en gemazeld in de CSM-cultuur, kreeg drie jaar geleden het roer en gooide het beleid om. In anderhalf jaar deed CSM twee voor haar doen kolossale overnames: Leaf (snoep), april 1999, voor 860 miljoen gulden. Nu de bakkerij-ingrediënten van Unilever voor 1,5 miljard gulden.

Om de overname te financieren geeft CSM geen nieuwe aandelen uit. CSM leent het geld bij de bank en geeft over een tijdje wellicht effecten met een vaste rente uit (obligaties) om deze bankkredieten weer af te lossen.

CSM laat haar eigen vermogen harder werken dan vroeger, een trend die dwars door het Nederlandse bedrijfsleven zichtbaar is. Het eigen vermogen dat een bedrijf `opspaart' door nieuwe aandelen bij het beleggende publiek te plaatsten en bedrijfswinst voor zichzelf te houden is de basis voor de financiering van groei. Maar daarbovenop stapelen zij steeds meer geleend geld, zoals bankkredieten, om rap te blijven groeien door extra winst te kopen met overnames. Meer dan ooit hebben de grote, overnamebeluste concerns het credo: laat de centen zweten.

KPN deed het vorig jaar met de aankoop van het Duitse mobiel telefoonbedrijf E-plus voor 29 miljard gulden. Unilever legde onlangs 49 miljard gulden op tafel voor Bestfoods, een Amerikaans voedingsbedrijf. Dubbel toeval: president-commissaris F. Fentener van Vlissingen van CSM is lid van de adviesraad van Unilever, die CSM nu deze bakkerij-ingrediënten verkoopt.

Misschien nog wel de beste analogie is Numico, dat zich in vijf jaar tijd met een aantal steeds grotere overnames heeft opgewerkt van een overnamekandidaat tot een marktleider in babyvoeding (Europa) en vitamines (VS).

De geldingsdrang van bedrijven als CSM wordt mogelijk gemaakt door een rooskleurig sentiment onder financiers, zoals banken en beleggers die obligaties kopen. Zij zijn dankzij oplopende beurskoersen en dalende faillissementen minder dan vroeger geïnteresseerd in de vraag of een bedrijf genoeg financiële buffers heeft om slechte tijden door te komen.

Die buffers moeten natuurlijk wel positief blijven: CSM maakt, zoals meer expansieve bedrijven, een eind aan de gewoonte om de betaalde overnamepremie direct in mindering te brengen op haar vermogen. De premie wordt nu net als voorraden en fabrieken op de balans gezet en in 20 jaar afgeschreven. Voordeel: de balans oogt net zo sterk als vroeger.

Als een bedrijf nu de rente op de kredieten maar kan betalen, zo redeneren bankiers. En dat is geen probleem voor CSM, ook al omdat de algemene rentestand relatief laag is. De ruimte die CSM heeft valt te becijferen uit het aantal malen dat de rente kan worden betaald uit het bedrijfsresultaat. Door de overname van Leaf zakte CSM van 22 keer de rente naar 11 keer en zeilt nu scherp met bijna 6. Ter vergelijking: Numico zat begin dit jaar, voor de laatste superovername, op 7. Unilever komt na het bod op Bestfoods op bijna 6.