OLYMPISCH ZWEET

Roeien is niet alleen een gevecht met water, roeien is ook een gevecht met de kilo's. Vraag het Pepijn Aardewijn (30) en Maarten van der Linden (30). In de voorbereiding op de Spelen is het tweetal in de lichte dubbel-twee verwikkeld in een strijd met overtollige grammen. In hun klasse mogen ze samen maximaal 140 kilo wegen. Onderling hebben ze afgesproken dat beiden zo'n tien kilo van hun normale lichaamsgewicht moeten `inleveren': Van der Linden naar 69 kilo, Aardewijn naar 71 kilo.

Hun voorbereiding bestaat uit drie fasen: de basis- of duurtraining waarin ze vijf à zes weken minimaal vijf keer per week 16 tot 20 kilometer varen, in een slagtempo variërend van 22 tot 24 slagen per minuut. Dan volgt een intensieve traingsperiode, waarin de nadruk ligt op kracht en snelheid. Drie weken voor het begin van de Spelen nemen Aardewijn en Van der Linden gas terug. In die periode staat de `wedstrijdspecifieke training' centraal, wat betekent dat hun start en hun baanritme wordt geperfectioneerd.

Wijst de weegschaal tegen die tijd uit dat ze toch te zwaar zijn, dan volgt sauna-bezoek en minder eten. Desnoods grijpen `Peppie en Kokkie' naar de laxeermiddelen. Dat is geen pretje, maar in Atlanta werkte het: Aardewijn en Van der Linden wonnen zilver. In Sydney willen ze die prestatie minimaal evenaren. Daarna komen de kilo's er weer net zo makkelijk bij.

Aflevering één van een serie over Nederlandse sporters op weg naar de Spelen.