`Globalisering' heeft gefaald bij bestrijding van armoede

Recente cijfers tonen aan dat `globalisering' de armoede in de wereld niet heeft kunnen verminderen. Sterker nog: het aantal armen is de laatste jaren snel gegroeid. Het is hoog tijd dat de funeste uitwassen van deze ideologie van economische mondialisering worden uitgebannen, stelt William Pfaff.

De tijd is gekomen om de `globalisering' ten grave te dragen als economisch leerstuk dat pretendeert de internationale gemeenschap vooruitgang en ontwikkeling te brengen. Het heeft daarin gefaald.

De bijzondere vergadering van de VN-Assemblee in Genève, vorige week, is tot de conclusie gekomen dat de armoede, ongelijkheid en onveiligheid in de wereld zijn toegenomen sinds het `mondialisme', zoals globalisering ook wordt aangeduid, in zwang is gekomen. Het aantal mensen dat in de diepste armoede leeft is in vijf jaar tijd gegroeid van een miljard tot 1,2 miljard.

Dat de armoede toeneemt, wordt niet beweerd door tegenstanders van globalisering. Het is de conclusie van een gezamenlijk rapport van de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties zelf.

In meer dan 30 van de armste landen daalt het reële inkomen per hoofd van de bevolking al 35 jaar. Azië is de enige regio waar de armoede de afgelopen vijf jaar is afgenomen. De economische vooruitgang in Latijns Amerika is ondermijnd door de toename van de ongelijkheid – een mondiaal verschijnsel.

De mensen in de industrielanden zijn nu 74 keer zo rijk als die in de armste landen. De rijkdom van de rijkste drie mannen ter wereld is groter dan het gezamenlijk bruto nationaal produkt (BNP) van alle minstontwikkelde landen samen – bij elkaar 600 miljoen mensen.

Die verarming heeft plaatsgehad in een tijd waarin de mondialisering beloofde de armen op weg te helpen naar duurzame economische groei. Maar daarvan is niets terechtgekomen.

De globalisering als verschijnsel is het resultaat van technologische ontwikkelingen die geïntegreerde mondiale communicatie, financiële transacties à la minute en gemondialiseerde fabricage van goederen mogelijk hebben gemaakt. Dit zijn politiek neutrale middelen. Waar het om gaat is hoe ze worden gebruikt.

Globalisering als ideologie eiste dat deze hulpbronnen ten dienste zouden worden gesteld van gedereguleerde markten, en stelde dat de werking van de markt grote sociale en politieke voordelen zou bieden. De ervaring van de laatste jaren was niet het gevolg van objectieve krachten die werden gegenereerd door de aard van de economie zelf, of van onweerstaanbare technologische krachten. Ze is het product van weloverwogen beleidskeuzen, gemaakt door de regeringen van de geavanceerde economieën – vooral die van de Verenigde Staten – die handelden te goeder trouw, maar ook volgens wat zij zagen als hun nationaal belang en in het bijzonder de belangen van politiek invloedrijke groepen in hun financiële wereld en hun bedrijfsleven.

De overtuiging dat marktkrachten vanzelf het algemeen belang zouden dienen, is in het begin van de jaren 1970 als een sectarische bezieling ontstaan bij een minderheid onder Britse en Amerikaanse publicisten en theoretici, en ze komt eerder voort uit hun politieke vijandschap jegens `de machtige overheid' dan uit economische analyses.

De voornaamste geestelijke vader was Friedrich von Hayek, die in zijn betoog over de vrije markt onder meer de bewering deed dat overheidsregulering in de economie fundamentele raakvlakken heeft met de politieke dictatuur – dat ze, zoals de titel van zijn bekendste boek luidt, `de weg naar de slavernij' is.

Deze overtuiging wortelde in een specifiek Oostenrijkse context, en in Hayeks haat jegens de totalitaire politieke cultuur die zich in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw had gevestigd in zijn geboorteregio Midden-Europa en in de Sovjet-Unie. Terwijl de centraal geleide economie integraal samenhing met de politieke tirannie in Sovjet-Rusland en nazi-Duitsland, ontbrak zo'n verband geheel in de Scandinavische sociaal-democratieën uit dezelfde periode, in de New Deal-politiek van de Amerikaanse president Franklin Roosevelt en, later, in de centralistische planeconomieën van het naoorlogse West-Europa.

Hayeks betoog vond een bijzondere weerklank in de afbrokkelende Britse verzorgingsstaat waarvan Margaret Thatcher premier werd in 1979, op een ogenblik dat het Keynesiaanse model voor het internationale financiële stelsel ook schipbreuk leed. Onder invloed van het Amerikaanse economische beleid tijdens de Vietnamoorlog en de afschaffing van het Bretton Woods-stelsel was de inflatie aangewakkerd.

Hayeks aanval op de consensus die bestond over de opvatting van John Maynard Keynes vond uiteraard een warm onthaal in de zakenwereld van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, en vooral bij de financiële gemeenschap aldaar. En ook inspireerden ze het politieke zowel als het economische beleid van de regering-Thatcher en haar opvolgers. In de Verenigde Staten, met hun van oudsher ingeburgerde afschuw van een machtige overheid, verschaften de Britse argumenten en precedenten een solide fundament voor het zakelijk georiënteerde regeringsbeleid onder de presidenten Reagan, Bush en Clinton.

De regering-Clinton, die voor haar aantreden nauwelijks over het economisch beleid had nagedacht, liet zich door vrienden in de financiële wereld bepraten om vrije handel en internationale deregulering tot beleidsprioriteiten te maken. Dat viel samen met de technologische revolutie op het vlak van de telecommunicatie. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis. Het is tijd dat we die geschiedenis eens opnieuw bekijken en proberen de funeste uitwassen ervan teniet te doen.

William Pfaff is columnist.

© Los Angeles Times Syndicate