Balanceren op een ijzeren dak

Passagiers zitten tijdens de treinreis tussen Riobamba en Huigra in Ecuador niet ín, maar óp de wagons. Een bizarre rit die vaak eindigt met een ontsporing op de `Duivelsneus'. Deel 3 in een serie over bijzondere treinreizen.

Net als we gewend zijn aan de vreemde zitplaatsen tijdens de rit naar Huigra, zorgt de conducteur voor een nieuwe surrealistische ervaring. Met stabiele tred en gestrekte rug legt hij zijn ronde af terwijl hij schreeuwt: ,,Bolètos, bolètos, `tie-kets'''. Schijnbaar onbewogen, alsof het de gewoonste zaak ter wereld is, controleert hij kaartjes op het dak van de rijdende trein. Geamuseerd bekijken de reizigers zijn evenwichtskunsten.

De treinreis tussen Riobamba en Huigra in Ecuador is bijzonder, dat wordt bij het begin al duidelijk. De vertrektijd is volgens het spoorboekje zes uur 's ochtends. Kaartjes zijn alleen op de dag zelf te koop. De passagiers, voornamelijk Westerse toeristen, wachten daarom al vanaf vijf uur, soms nog vroeger, op het station. Wanneer om half acht nog geen locomotief in zicht is, verliest een aantal reizigers zijn geduld. Verwijten doen de Ecuadoriaanse stationschef niets. ,,Tranquilo'', is zijn advies.

Even na achten arriveert het voertuig. De wagons zien eruit alsof er vee in vervoerd gaat worden. Niemand maalt erom, de treinrit staat immers bekend om de onconventionele zitplaatsen. Wie wil er in een smerige wagon zitten als het is toegestaan om bovenop het dak te zitten? Trekt de spanning van deze avontuurlijke manier van reizen de toerist niet over de lijn, dan is er nog altijd de belofte van een ongeëvenaard uitzicht. Hoog bovenop het dak kan het landschap onbegrensd worden bewonderd. Alle Westerse passagiers op het station kiezen dan ook zonder aansporing het roestige trappetje aan de zijkant in plaats van het opstapje naar de deur van de wagon. Zware rugzakken en koffers worden omhoog gehesen. In het midden van het dak is een smalle strook, afgeschermd met een reling van niet meer dan vijf centimeter hoogte aan beide kanten. Daarbuiten loopt het dak gevaarlijk schuin af. Veel reizigers gaan op hun rugzak zitten op zoek naar enig comfort. Als het vertreksignaal klinkt, is de vertraging al tot ruim drie uur opgelopen.

Bovenop het dak snijdt een ijskoude wind langs de oren – Riobamba ligt op 2.750 meter. De toeristen wikkelen zich in slaapzakken en trekken mutsen over de oren. Het panorama maakt veel goed. Het Andes-gebergte lijkt vlakbij en een reeks vulkanen verschijnt aan de horizon: Tunguaruhua en Altar in het oosten, Carihuairazo en de indrukwekkende Chimbarazo, met een glinsterende witte sneeuwtop op 6.310 meter hoogte, in het zuidwesten.

In het landschap is het geel van het dorre gras de overheersende tint. Verbeten probeert de bevolking van akkerbouw te leven. In het wrakkige, houten station van Guamote, de eerste stop, proberen inheemse vrouwen naast de rails vanaf plastic zeiltjes voedsel te verkopen. Ze dragen hoepelrokken en hebben bolhoedjes op hun lange, gevlochten, inktzwarte haar. Grote, kartonnen dozen worden in een van de wagons geladen. Reizigers helpen mee. Niet alleen uit vriendelijkheid, maar ook om de reeds forse vertraging niet verder te laten oplopen.

De doorbrekende zon was met gejuich ontvangen, maar al gauw klinkt het eerste gemopper. Het wordt heet op het ijzeren dak. 's Ochtends in de kou waren de dieseldampen van de locomotief nog aangenaam verwarmend, nu is de stank misselijkmakend. Bij het volgende station, in Palamira, verhuist een flink aantal reizigers naar een wagon aan het einde van de trein.

De eerste tunnels zorgen voor een donkere, angstige ervaring. De volgende stop is Alausí. Het oude station steekt indrukwekkend af tegen de plaatijzeren daken van de omringende huizen.

De treinverbinding met zee bracht Alausí begin vorige eeuw welvaart. Het dorp werd een populaire vakantiebestemming. Nog steeds verruilen inwoners van Guayaquil, de grootste en smerigste stad van Ecuador, regelmatig de benauwde hitte van hun metropool voor de koelte van het hoger gelegen Alausí.

Het spoor was letterlijk een levenslijn voor Alausí.

Vroeger reed de trein zonder onderbrekingen van Quito naar de kust. Tegenwoordig moeten de passagiers overnachten in Riobamba. Veel toeristen kiezen er dan ook voor dit gedeelte over te slaan en beginnen hun rit in Riobamba.

De zee is per trein vanuit Alausí niet meer te bereiken. Landverschuivingen hebben het traject voor het grootste gedeelte vernietigd. De trein gaat nu tot Huigra, vanwaar bussen naar Guayaquil rijden. Het beroemdste deel van deze treinreis is behouden gebleven: El Nariz del Diablo. De Duivelsneus is de naam van de steile afdaling net buiten Alausí, waar een vliegende start wordt gemaakt om vanaf 2.347 meter hoogte op zeeniveau terecht te komen. Over een relatief kleine afstand via een ingewikkeld netwerk van wissels, daalt de trein achthonderd meter. De trein gaat traag in een zigzag-patroon de berg af. Het risico op ontsporing is groot op dit ingewikkelde traject.

Ook nu raken de voorste wielen van de locomotief uit de rails. Het treinpersoneel reageert gelaten. De reizigers klimmen naar beneden. De machinist laat de dieselmotor brullen en probeert het voertuig met brute kracht weer tussen de rails te krijgen. Ruim een uur later is het nog steeds niet gelukt. De lokale passagiers beginnen langs het spoor terug te lopen richting Alausí. De machinist stopt de motor en klimt ook naar beneden. Verschillende toeristen willen weten wanneer de trein weer verder zal gaan. De bestuurder haalt zijn schouders op en zegt: `Mañana'. De meeste reizigers begrijpen de hint en beginnen eveneens schoorvoetend aan de tien kilometerlange wandeling naar Alausí.