De maag gaat voor de democratie

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine is niet een standaard-politicus die zich in zijn publieke uitspraken bedient van het confectie-jargon dat in de regel op internationale conferenties wordt gesproken. Zijn verklaringen onderscheiden zich door een eigen geluid en bevatten, ook al staan ze op papier, vaak verfrissend kritische gedachten.

Met zijn narrige kritiek op de naïeve Amerikaanse exportbevordering van de democratie waarmee hij vorige week in Warschau verbazing en ergernis veroorzaakte op de conferentie over het Handvest voor de Democratie, heeft Védrine zich in de internationale politieke gemeenschap waarschijnlijk geen nieuwe vrienden gemaakt. Dat wil niet zeggen dat hij ongelijk had.

De Nederlandse media hadden niet veel belangstelling voor de Franse kritiek op de Verklaring van Warschau, maar de Amerikaanse en de Franse des te meer. Gewoontegetrouw besteedde ook BBC News er veel aandacht aan, evenals de International Herald Tribune, die de voorpagina van de krant van 28 juni ermee opende. De inzet was een niet onbelangrijk verschil van visie tussen de Verenigde Staten en Frankrijk op de bruikbaarheid van de democratie voor de Derde Wereld.

,,De Westerse landen gaan er wat te veel van uit dat democratie een religie is en dat je voor het vestigen van een democratie (in een land waar die regeringsvorm nog niet bestaat) de mensen alleen maar hoeft te bekeren'', zei Védrine. De Franse minister was diplomatiek genoeg om het Westen als collectief aan te spreken, maar zijn gehoor begreep wel dat hij vooral de Verenigde Staten op het oog had. Dat kon ook worden opgemaakt uit zijn toelichting tegenover Amerikaanse journalisten, waarin hij zonder veel diplomatie betoogde dat het buitenlands beleid van Washington in de jaren zeventig het islamitisch fundamentalisme in Iran in de hand gewerkt had. President Carter had volgens Védrine zeker niet de bedoeling de revolutie in Iran uit te lokken, maar zijn politiek had `wel dat effect gehad'.

In de Verklaring van Warschau die, op de stem van Frankrijk na, op de conferentie werd aangenomen, wordt de democratie een `universeel mensenrecht' genoemd en wordt een oproep gedaan tot alle naties om zichzelf bestuurlijk te organiseren en te regeren op de grondslag van vrije en eerlijke verkiezingen.

Védrine's kritiek op die Verklaring klonk als vloeken in de kerk. Albright liet in elk geval merken in haar heiligste gevoelens te zijn geraakt. Ze had haar stinkende best gedaan om heel de in Warschau vertegenwoordigde wereld achter de Verklaring van Warschau te verenigen en nu moesten de Fransen op het laatste ogenblik weer zo nodig roet in het eten gooien.

Maar de Franse oppositie was lang niet zo onredelijk als Albright beweerde. De kern van de zaak is dat de Fransen het democratische handvest van de Amerikanen eenvoudig niet zo'n redelijk document vinden. Een aantal doelstellingen van het handvest wordt ook door de Fransen onderschreven, maar Parijs voelt niets voor de Amerikaanse filosofie om de hele wereld een democratisch recept voor te schrijven. Hun bezwaren komen hierop neer dat de democratie, een Westerse uitvinding, niet voor elk land geschikt is, maar alleen voor landen die over voldoende economische structuur en politiek draagvlak beschikken.

Democratie kan niet aan landen worden opgelegd, zij moet, zoals Védrine het zei, organisch groeien. De ervaringen opgedaan met mislukte democratische experimenten in Afrika en Midden-Amerika zouden de propagandisten van de democratie, volgens de Fransen, tot meer voorzichtigheid moeten manen. De Westerse democratieën, zei Védrine al eerder, moeten hun waardensysteem ,,niet preken aan andere staten''.

In het Democratisch handvest van Warschau – in het Engels: Democracy Charter – staat dat de bestaande democratieën in vele opzichten onderlinge verschillen mogen vertonen, maar in de belangrijkste beginselen overeenstemmen: vrije en eerlijke verkiezingen; gelijke behandeling van de burgers volgens de wet; vrijheid van godsdienst en van de pers en waarborgen tegen foltering en marteling en willekeurige aanhouding. In het handvest is ook het recht van vereniging voor politieke partijen en vakorganisaties opgenomen.

Waarschuwende Nederlandse kanttekeningen heb ik niet kunnen vinden. Als ze er zijn geweest, hebben ze in elk geval geen aandacht getrokken. Een kritische Nederlandse houding ligt trouwens niet voor de hand. Nederland is ook in democratisch opzicht een toegewijd donorland en heeft Albright ongetwijfeld met overtuiging, om niet te zeggen blindelings gesteund.

Het Franse realisme, eventueel gemengd met een zeker cynisme, staat mij meer aan dan het Amerikaanse idealisme. Zie wat er sinds 1985 geworden is van Soedan, waar een democratisch bestuur op grond van vrije en eerlijke verkiezingen aan het bewind kwam. Het riep chaos en ongeregeldheden over zich af en maakte plaats voor een militair bestuur dat zich als het gewelddadigste in de postkoloniale geschiedenis van het land manifesteerde. Met de door Washington gesponsorde democratie in Koerdistan en Afghanistan is het niet veel beter gegaan. Om maar te zwijgen van Bosnië, waar de democratie dienst deed als rookscherm voor de ergste oorlogsmisdaden die na de Tweede Wereldoorlog in Europa zijn bedreven. En wat te denken van Haïti, een klein land onder de rook van de VS, waar 22.000 Amerikaanse militairen in 1994 werden gedetacheerd om de `democratie' te herstellen. De aldus in het zadel gebrachte democratie gedijde er daarna zo goed dat slechts vijf procent van de kiezers bij de verkiezingen van '97 opkwam. De politieke instabiliteit is nog altijd niet verholpen en de bevolking wordt door de hongerdood bedreigd. Zolang ze creperen zal de democratie de Haïtianen een zorg zijn. Onder de armen gaat de maag nu eenmaal voor de democratie. Voor die realiteit hebben de Fransen meer oog dan de Amerikanen.