Adel en Elite 1

1 In zijn oratie stelt dr. J. Dronkers dat adellijke personen die voor en tijdens de veertiger jaren zijn geboren en gestudeerd hebben, veel kans maken op een elitaire positie (NRC Handelsblad, 22 juni). Zijn adellijke personen daarin nou zo uitzonderlijk en dus elitair? Om te beginnen geeft hij toe dat zijn betoog al in mindere mate opgaat voor de jongstgeborenen in zijn aselecte steekproef (tussen 1940 en 1950). Zou hij later geboren mensen van adellijke afkomst hebben onderzocht, dan zou blijken dat zijn betoog helemaal niet op gaat. We krijgen dan namelijk te maken met de babyboom-generatie die eind jaren zestig, begin jaren zeventig massaal de universiteiten bestormde. Met als gevolg dat in de jaren tachtig en verder het aantal universitair geschoolden in de beroepsbevolking toenam van minder dan één procent tot meer dan vijf procent. En dat percentage groeit nog steeds.

Zeer onwaardig en stigmatiserend is wel dat onderzoeker Dronkers meent persoonlijke kenmerken en gedragingen van adellijken erbij te moeten slepen om zijn bewijs te staven. Namelijk daar waar hij het huwelijksgedrag van met naam en toenaam genoemde personen checkt op de hypothese met betrekking tot verminderde kansen voor hen die `onder elkaar trouwen'. Dit is een inteelt-hypothese. Hier begin ik toch erge argwaan te krijgen naar de bedoelingen van de heer Dronkers. Persoonlijke afkeer van de door hem onderzochte groep wordt evident. Dat mag geen motief zijn voor waardevrije wetenschap.