Versterking van het parlement

Er viel dit jaar heel wat te mopperen op de Tweede Kamer. Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven heeft zich de kritiek aangetrokken: ze reist af naar Washington om daar kennis te maken met het Congressional Budget Office (CBO), een hulpmiddel voor het parlement dat wij in Nederland (nog) niet kennen. Ik denk dat ze enthousiast terugkomt. Niet omdat de Amerikaanse politiek in het algemeen zo veel slagvaardiger is dan in Nederland – de Founding Fathers hechtten aan delicate checks and balances tussen president en Congres, en die hebben ze gekregen – maar omdat een CBO zo goed zou passen in ons vastgelopen Nederland.

Het eerste voorbeeld is de gezondheidszorg. Daar werken twee Planbureaus al jaren aan een kolossaal planmodel voor de totale sector. Het idee alleen al is fundamenteel ongezond: de belangrijke berekeningen over de inzet van personeel en apparatuur moeten natuurlijk niet op landelijk niveau worden gemaakt, maar in het ziekenhuis of in het kantoor van de thuiszorg waar men de patiënten kent en kan beslissen hoe iedereen het meest efficiënt kan worden geholpen. Hier is mijn simpele vraag aan Peter van Lieshout (directeur-generaal bij het ministerie en verantwoordelijk voor de planning van de zorg): ,,waar staan bij Shell de grootste computers, op het hoofdkantoor of op de raffinaderij? Is het niet zo dat overal in het bedrijfsleven eenvoudige en heldere marsorders worden opgesteld door de Raad van Bestuur waarna iedere afdeling maar moet berekenen wat het beste recept is om de opgedragen doelen te bereiken? Waarom is dan in de zorgsector alle computing power in het ministerie getrokken en mogen directies van ziekenhuizen en thuiszorg alleen maar super-gedetailleerde voorschriften uitvoeren?''

Waar planning zo minutieus wordt opgelegd, komen bij een krap budget altijd wachtlijsten en is het hoog tijd voor een Perestroika. Maar die kan nooit geloofwaardig worden ingezet door dezelfde ambtenaren die eerst gedienstig het planningsmodel hebben ontworpen. Daarom is een Nederlands CBO zo cruciaal voor de zorgsector: een onderzoeksbureau dat werkt voor het parlement, geen opdrachten krijgt van de minister en dus eerlijk kan inschatten hoeveel geld en hoeveel vrijheid nodig zijn om de kwaliteit van de zorg te verhogen.

Voorbeeld nummer twee: de ramp die oud-minister Ritzen aanrichtte met de wachtgelden in het onderwijs. Ook hier een verkeerde planning, incompetente prognoses en ambtenaren die van hun minister niet eerlijk mochten analyseren. Ieder jaar werd het bedrag hoger; ieder jaar beloofde Ritzen in de Kamer dat hij binnenkort greep zou krijgen op de wachtgelden, maar steeds bleek die belofte bedrieglijk. Resultaat: verspillingen die opliepen tot een miljard per jaar en veel onnodig verloren talent in het onderwijs. Een beschamende episode – allereerst voor Ritzen, maar ook voor het parlement dat wel veel vragen stelde maar zelf in al die jaren nooit goed beslagen ten ijs kwam. Opnieuw had een tijdige analyse voor het parlement – zonder bemoeienis van de betrokken minister – veel narigheid kunnen voorkomen.

Nog een voorbeeld: de woningmarkt. Daar doet het Centraal Planbureau (CPB) goed werk maar niet genoeg om het parlement echt te kunnen helpen. Het slepende conflict tussen staatssecretaris Remkes (VVD, voor royalere huizen) en minister Pronk (PvdA, met sympathie voor GroenLinks en dus voor indikken van de bebouwde kom) maakt het op dit moment onmogelijk voor de ambtenaren van het CPB om duidelijke taal te spreken. Een CBO zou het parlement eerlijk kunnen voorlichten over de voor- en nadelen van grotere huizen op ruimere kavels en de gevolgen daarvan voor landschap en natuur. Vrijmoediger dan het CPB, onafhankelijker dan de belangengroepen die nu het debat in de media te veel domineren.

Drie voorbeelden van grote thema's uit de politiek waarbij ons volgzame parlement nu nog genoegen neemt met inferieure informatie. De ambtenaren van minister Borst proberen allereerst haar straatje schoon te vegen. De ambtenaren bij Onderwijs moeten op zo'n voorzichtige manier schrijven over de tekorten aan personeel dat staatssecretaris Adelmund geen problemen krijgt met haar clientèle in de onderwijs-vakbonden. De ambtenaren bij het CPB kunnen geen heldere taal spreken over de fouten in de woningbouw omdat hun baas, de minister van Economische Zaken, niet wil dat het CPB impliciet kritiek heeft op beleid van collega-ministers in het verleden. Bij een serieuze analyse van de ruimtelijke ordening hoort een verhaal over de voorgeschiedenis. Het CPB zie ik dat niet opschrijven.

De oplossing kan niet komen uit de ambtenarij. Dat bewees wel het mislukken van Sweder van Wijnbergen als topambtenaar bij Economische Zaken. Hij stelde zich onafhankelijk op maar kreeg onmiddellijk knetterende ruzie met de collega's bij andere ministeries en dus ook met de leden van het kabinet. Ambtenaren moeten loyaal en betrouwbaar zijn, en dat geldt ook voor de ambtenaren bij de Planbureaus. Ze staan ten dienste van de uitvoerende macht. Dat blijkt straks weer met prinsjesdag wanneer het CPB moet doorrekenen wat de instructies van het kabinet zijn voor de budgetten van de zorg en de salarissen van de ambtenaren. Nuttig werk, maar beslist niet onafhankelijk van de politiek. Het CPB kan toch niet tegelijk publiceren hoeveel geld de regering over heeft voor de zorgsector en schrijven dat het budget voor het zoveelste jaar te krap is bemeten en te bureaucratisch wordt toegewezen? Of vertellen wat de ambtenaren en verpleegsters gaan verdienen en opmerken dat daar narigheid van komt? Ik heb alle respect voor de integriteit van de CPB-ambtenaren, maar hun ondersteunend werk voor de rijksbegroting vindt plaats onder politieke controle.

Evenmin kan de oplossing komen van de Rekenkamer. Die moet met onbetwistbaar gezag het parlement een spiegel kunnen voorhouden over het verleden en kan dus niet tegelijk treden in lopende controverses. De universiteiten kunnen ook al niet helpen. Die moeten hun eigen onderwerpen van onderzoek kunnen kiezen. Dus moet de Kamervoorzitter maar goed kijken hoe in Amerika het Office of Management and Budget – een soort CPB – vanuit het Old Executive Building naast het Witte Huis de berekeningen doet voor de president, terwijl het CBO werkt voor het parlement. Heeft de president een plan, dan helpt OMB met de onderbouwing en assisteert het CBO tegelijkertijd de leden van het congres met het vormen van een onafhankelijk oordeel. Zo kan het parlement werken met cijfers en analyses die nu eens niet afkomstig zijn van ambtenaren en evenmin van belangengroepen.

Hoe het parlement spannender kan worden is moeilijk te zeggen – een districtenstelsel misschien? Maar een recept voor een beter evenwicht in de ondersteuning van parlement en ministers is eenvoudiger: voor minder dan een procent van een procent van de totale begroting van prinsjesdag heeft de Kamer een eigen onderzoeksbureau. Een bescheiden bedrag voor een beter debat over zorg, onderwijs en ruimtelijke ordening.