Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Pretpark van primitieven

De Sans zijn het oudste volk van de wereld. Duizend wonen er nog in Zuid-Afrika. Vijftien daarvan spreken de taal nog. Eeuwen werden ze opgejaagd, maar vorig jaar gebeurde er iets moois: de Sans kregen een stuk land terug.

Het ingedeelde land van Zuid-Afrika schuift weg en maakt plaats voor wildernis. De hittegolven boven de Kalahari doen het vliegtuigje schudden. We landen in Upington. Vanaf dit lome stadje strekt zich een lange en lege autosnelweg de woestijn in. Over een asfaltloper naar het oervolk de San.

In den beginne waren er de Sans, ook wel Bosjesmannen genoemd. Wetenschappers aan de Universiteit van Kaapstad deden DNA-onderzoek onder de San en ontdekten dat hun genen sterke gelijkenissen vertonen met die van de bewoners van Afrika 100.000 tot 120.000 jaar geleden. Dat waren de eerste mensen, die later over Europa en Azië zouden uitwaaieren. De Sans zijn het oudste volk in de wereld.

Ik ga op zoek naar de overgebleven Sans, eerst in Zuid-Afrika en dan in Botswana. Achter een paar zandduinen bivakkeert in een kleine vallei de uitgebreide familie van de 60-jarige David Kruiper, zoon van het overleden San-stamhoofd Oupa Regopstaan Kruiper. Ter gelegenheid van een historische overdracht van land aan de San – Kruiper noemt het `onze bevrijding' – lieten hij en zijn volgelingen zich voor een Zuid-Afrikaanse krant fotograferen met pijl en boog en gekleed in dierenvel. Net als in de koffietafelboeken over de San. Ik tref Kruiper in trainingspak en op rode sokken. In zijn kleine kampement staan geen onderkomens maar wel een generator om hem 's nachts bij te lichten. Er zitten in een cirkel jongeren in het zand. Ze krijgen les over de bush, een oudere laat zien hoe een pijp van been moet worden gerookt. Twee mannen laden spullen op de achterbak van een halve Landrover getrokken door vier ezels. Vrouwen koken een potje, omringd door koffers, keukengerei, pakken gesteriliseerde melk en metersgrote plastic zakken met moderne borrelnoten. Kruiper stelt zijn echtgenote voor van wie het halve gezicht achter dik verband schuilgaat.

Kruipers begint zijn verhaal. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over wat hij vroeger doen moest om te kunnen trouwen. Hij moest een leeuw doden. Zijn vingers tekenen in het gladde zand de illustratie. ,,Ik stond hier. Het gras was heel hoog en ik kon het beest niet zien. Plotseling rende de leeuw op me af. Eerst wilde ik de benen nemen en draaide me om. Toen hoorde ik hoe hij begon aan een grote sprong in mijn richting. Op het allerlaatste moment keerde ik me om, en bammm, ik sloeg hem met mijn knuppel op zijn kop. Morsdood!'' Hij strijkt het zand weer vlak. ,,Nu de Sans hun vrijheid terugkrijgen, wil ik het de jongeren als vroeger laten doen. We zullen jagen als weleer, met pijl en boog. Niet met vuurwapens, daar schrikken de gemsbokken van. Dan roei je alles uit.''

We lopen weg van zijn achterban en gaan zitten bij een struik. ,,Je moet trots op jezelf zijn, je moet je opa niet vergeten. Dat vertel ik iedere San. Laten we onze velletjes van weleer weer ombinden'', zegt hij. ,,Ik ben de dokter van het veld, ik heb kennis van de planten, de wortels en de beesten. Die kundigheid van de Sans wil ik overdragen aan mijn kleinkinderen'', vertelt Kruiper. ,,Mijn ogen kunnen niet goed kijken maar mijn geest kan zien en mijn hart kan voelen. Op ons land zullen de kinderen zich thuis voelen. Dan zal mijn geest weten dat onze tradities leven.''

Zijn kleinkind is hem gevolgd. ,,Kom opa, ik heb sporen ontdekt'', meldt hij trots. Het oude mannetje staat moeizaam op en drukt het kind tegen zijn gerimpelde lichaam. ,,Kom, laat me zien'', zegt hij. ,,Ziet u, ze leren het wel. Sans zijn de beste spoorzoekers, het zit ze in het bloed, ze weten alles van dierensporen.'' Even later keert Kruiper terug, zonder kleinzoon. ,,Hij moet nog leren. Het waren afdrukken van gymschoenen.'' Een zure glimlach.

In de gewelddadige geschiedenis van zuidelijk Afrika onderscheiden de Sans zich als het meest opgejaagde, het meest onderdrukte en uitgemoorde volk. Nog slechts een geschatte 90.000 Sans zijn in leven, van wie duizend in Zuid-Afrika, 35.000 in Namibië, 50.000 in Botswana en de rest in Angola. Ze leven in en rond de Kalahari, een woestijn met duinen, grassavannes, struiken en bomen. De zandvlakte strekt zich 200.000 vierkante mijl uit over het grootste deel van Botswana, over Zuid-Afrika en Namibië, een wondermooi landschap in strogele en diep oranje kleuren. Deze wildernis schermde de oer-San nog een tijdje af van oprukkende veehouders en boeren.

Vóór de komst van de zwarte bantoevolkeren rond de derde eeuw na Christus bewandelden alleen de kleine, geelkleurige Sans met hun hartvormige gezichten en Aziatische gelaatstrekken het subcontinent. Ze waren jagers en verzamelaars. De kiem van hun neergang lag in hun ontwijkende gedrag. Het waren geen krijgers, in plaats van met volle kracht de indringers te bestrijden, trokken ze weg naar onbewoonde gebieden. Agressie en geweld ervoeren Sans als verachtelijke eigenschappen. Toen Jan van Riebeeck in 1652 bij Kaapstad van zijn schip stapte, leefden de Sans al verspreid in enclaves omringd door bantoes. De Boeren brandmerkten hen als `Bosjesmannen' of `Strandlopers'. Als honden schoten ze de Sans af. Mazelenepidemieën deden de rest. Rond 1900 waren vrijwel alleen `tamme Sans' over, degenen die op blanke boerderijen werkten. De laatste `wilde Sans' hielden zich op in het zand van de Kalahari. Zij kregen van de Boeren de naam bittereinders.

Vorig jaar deed voor het eerst een Zuid-Afrikaanse regering iets moois voor de Sans. Ze gaf hun een heel klein stukje van het land dat hun voorvaderen ontstolen was. De Sans kregen een reservaat van ruim 50.000 hectare toegewezen in de Kalahari. Het wordt gesticht op 40.000 hectare privé- en staatsgrond en 27.000 hectare van het wildgebied het Gemsbokpark. Hier in de bush kunnen de San hun roemruchte bestaan weer opvatten.

De landoverdracht werd een plechtige gebeurtenis met veel symboliek. Aanwezig waren de paar honderd Sans van David Kruiper. ,,Hier is jullie land, neem het'', sprak Thabo Mbeki. De president borduurde in zijn rede voort op zijn geliefde thema van de Afrikaanse renaissance. ,,Wij zeggen dat jullie een trotse geschiedenis moeten opeisen en een rijke cultuur herbouwen. Deze landeis betekent de hergeboorte van een volk. Wat wij hier doen, geldt als voorbeeld voor de hele wereld. De mogelijkheid om een heel volk in ere te herstellen is zeer zeldzaam in de geschiedenis.'' De Sans zongen en dansten, de camera's draaiden. Voor het eerst in de geschiedenis van Zuid-Afrika hadden de Sans eigendomsrechten gekregen.

Bij het vallen van de avond ontmoet ik Peter Vaalbooi voor een drankje op het terras van het toeristenhotel de Molopo lodge, waar Mbeki de Sans hun reservaat gaf. Kruiper is de traditionalist, Vaalbooi de activist onder de Sans. Na het feest heerst de kater. ,,U hebt geluk de Sans sober aan te treffen'', zegt Vaalbooi, ,,meestal zijn ze lazarus. Zag u hoe toegetakeld de echtgenote van Kruiper eruit zag? Vorige week was ze dronken en raakte in een gevecht, waarbij iemand haar gezicht bewerkte met een gebroken fles. Wij wachten nog op toestemming het Gemsbokpark binnen te trekken en verdoen onze tijd met drinken.'' Vaalbooi neemt een teug van zijn bier.

Bijna anderhalf jaar na de ceremoniële overdracht van het land laat de uitwerking op zich wachten. Grondcontracten moeten nog worden geformaliseerd en de San mogen het toegezegde stuk van het wildpark nog niet in. De veelal analfabete Sans begrijpen weinig van de bureaucratische rompslomp. Vaalbooi begint zelfs te twijfelen of de regering zich aan haar beloftes houden zal. ,,We willen er een San-dorp vestigen met een school om onze taal te leren, met kerken en met klinieken'', legt Vaalbooi uit. Wie gaat dat betalen? Is er een economische basis? Vaalbooi kijkt ongelovig, de relevantie van de vraag ontgaat hem. De overheid en de hulporganisaties zijn er immers om te helpen.

Toerisme gaat het bestaansrecht vormen van de Sans. ,,We zijn aantrekkelijk voor de toeristen want we zijn primitief.'' Wat primitief? De reden voor de oprichting van het reservaat was toch dat de Sans er kunnen voortbouwen op een rijke geschiedenis? Zij legden vroeger geen beslag op de natuur, ze maakten er onderdeel van uit. Zij beschikken over unieke kennis van de natuur, ze zijn de beste beschermers van het wilde bestaan. De Sans reisden in kleine groepen in de sporen van de migrerende wilde dieren, die ze hun `vee' noemden. Mannen jaagden op het grote wild, vrouwen verzamelden veldkos. Met rietjes zogen ze water uit boomholten of door wortels uit de droge grond. Ze rookten tabak en marihuana. Ze kenden geen privé-bezit en centraal leiderschap, ze leefden in het ritme van de natuur en in harmonie met zichzelf. Dat is niet primitief. Maar Vaalbooi schetst een spotprent van het San-verleden, niet een renaissance zoals Mbeki de Sans voorhoudt. ,,Ja, ik zie het dilemma'', erkent Vaalbooi. ,,Straks komen de toeristen in het park wilde dieren en Sans bekijken. Maar alles beter dan dronken Sans.''

De volgende dag bezoek ik de gezusters Rooi. Van de laatste duizend Sans in Zuid-Afrika kunnen nog slechts vijftien oudjes hun taal spreken, een taal die zich onderscheidt door zuigende en stotende klikgeluiden. De lingua franca van de Kalahari is tegenwoordig Afrikaans. De drie zusters Rooi behoren tot de laatste vijftien. Ze beginnen onmiddellijk in hun kliktaal te kleppen. ,,We spreken onze taal alleen nog voor toeristen'', vertelt zuster Guna. Hun nederzetting vertoont alle kenmerken van het ogenblik. Guna zet een stoel neer en gaat ernaast zitten in het zand. Ze draagt een te groot groen colbertje met oranje jurk, gympies en een wijde roodkapjeshoed. Vroeger bonden de zusters een dierenhuid rond hun middel. ,,We leefden zoals onze voorvaderen, van de jacht en het verzamelen van groentes en fruit. We zochten naar wilde komkommers en volgden de sporen van elanden en gemsbokken. Mmm, wat waren die lekker.''

De staat gooide de Sans vijftig jaar geleden uit het Gemsbokpark, dat was gesticht op hun geboortegrond. De Bosjesmannen pasten volgens de regering niet meer bij de fauna. Guna en haar zusters werden op vrachtwagens geladen en gedumpt op Afrikaner boerderijen. Jarenlang trokken ze van boerderij naar boerderij, op zoek naar werk. Ze strandden in de armste wijken van Upington, geclassificeerd als `mengras', ontdaan van land en identiteit.

Guna speelt met mieren in het zand. Ze drukt er een dood. ,,Ik ben geboren in de bush'', gaat ze voort. ,,Wat je hebt gehad, kan je niet vergeten. Altijd wilde ik terug naar de bush. Ik hield van die boom, die grote boom waar ik werd geboren.''

Haar zus Katrina schuift zand over de mieren en neemt het woord. ,,We betuigden respect voor elkaar, we waren lief voor elkaar.'' Ze maakt een omarmend gebaar: ,,Er vond geen geweld plaats, er waren geen dronkaards. We deelden alles. Had iemand een foutje begaan, dan gaf hij een presentje om het goed te maken. Was je kwaad, dan liep je even weg en kwam afgekoeld terug. Je maakte nooit ruzie.''

Zullen de zusters Rooi naar de grond van hun voorvaders terugkeren met hun oude tradities? ,,Het leven van vroeger is dood'', heeft Katrina Rooi besloten. ,,Nee, ik blijf kettingen aan toeristen verkopen en wil wonen in een ordentelijk huis. Ons leven van vroeger werd weggesleept en weggegooid, net als onze taal. Wij Sans waren de eerste bewoners van zuidelijk Afrika. Tegenwoordig loopt iedereen vóórop en wij erachteraan.''

De terugkeer van de San is omstreden. Kruiper en Vaalbooi willen de vrijheid om in het wildpark rond te trekken, planten te verzamelen voor medicijnen, de ruimte om hun mensen te leren jagen. Sans staan bekend als milieuvriendelijke jagers, maar het milieu is niet meer zo vriendelijk voor hen. Leeuwen ruiken tegenwoordig naar mensen, want onderzoekers raken ze aan en daarom vallen ze soms mensen aan. Wat vinden de wildwachters van het Gemsbokpark? Martin Engelbrecht zit op het hoofdkwartier van het park in gladgestreken uniform achter een opgeruimd bureau. Hij is de adjunct-parkbeheerder. Hij stelt zich terughoudend op, iedere opmerking komt overdacht uit zijn mond, gewikt en gewogen. Wat hij niet wil uitspreken, is de tegenzin onder vele wildwachters over de komst van de Sans. ,,De San-stam is lang geleden vernietigd, ze gingen op in andere rassen. Ja, vroeger blonken ze uit in het spoorzoeken, nu moeten wíj ze het leren. Ik ken de Sans als dronkaards, niet als natuurbeschermers. Ik moet er niet aan denken, een San met een wetenschapper de bush insturen om een leeuw te onderzoeken. Zo'n dronkaard? Nee, onmogelijk!''

,,De Sans mogen in het park, maar alleen met een velletje om'', vervolgt hij op genereuze toon. En als David Kruiper en achterban zich met halve Landrover, generator en zakken borrelnoten in het park vestigen? Engelbrecht verliest controle over zijn pose. ,,Geen sprake van'', schiet het uit zijn mond, ,,uitgesloten. Dan kunnen we de deuren hier wel sluiten!''

Is de oprichting van het San-reservaat een welgemeende poging tot een Afrikaanse renaissance of een soapopera over een natuurvolk dat zijn wortels allang verloren heeft? De directrice van een San-organisatie waarschuwde in Kaapstad: ,,Ga niet naar het reservaat, het gaat er niet goed. Direct nadat de Sans naar hun oorspronkelijke gebied waren teruggekeerd, gingen velen er al weer vandoor. Ze klagen dat ze te ver moeten lopen om hun staatspensioen op te halen.'' De teruggave van grond is politiek correct maar onrealistisch. ,,U moet het zien in de Zuid-Afrikaanse context'', zegt een San-expert aan de Universiteit van Kaapstad. ,,Het maakt onderdeel uit van de wedergeboorte van alle niet-blanke groepen in Zuid Afrika. Of de oeroude San-cultuur kan herrijzen, valt te betwijfelen.''

Ik reis verder naar Botswana. Dit is een zelfverzekerd en geslaagd Afrikaans land, zonder postapartheid stress. Op de omslag van de nationale wegenkaart prijkt een San met pijl en boog. Waar zou het beter kunnen gaan met de laatste oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika dan in het dunbevolkte en rijke Botswana?

D'Kar in West Botswana moet het enige dorp op het continent zijn in eigendom van de kerk. Op de missiegrond van de Nederduits Gereformeerde kerk kon de Boer zonder gewetensbezwaren zijn lastige San-arbeider uit de auto gooien. Bij de stichting van het dorp begin deze eeuw draaide het nog om school- en kerkbanken, nu kunnen de duizend inwoners, goeddeels Sans, hun ziel ook verlichten in tien bars. Het is zondagochtend negen uur als ik een groepje San-mannen aantref voor de drankwinkel in d'Kar. Glazig staren ze in hun conservenblikjes met gierstbier. Ze drinken zwijgend, hangen lamgeslagen over een gevelde boomstam. Er heerst geen alcoholische gezelligheid.

David Livingstone noemde de Sans in Botswana `onafhankelijke gentlemen en goede leeuwenjagers', een andere ontdekkingsreiziger vond hen `de meesters van het woestijnland'. Hun nazaten zijn de wezen van de woestijn. Ze ruimden vorige eeuw het veld voor zwarten die kwamen jagen in naam van blanke ivoorhandelaren en later voor Zuid-Afrikaanse Boeren die land inpikten en hen tewerkstelden en `naaiden' (hun nakomelingen heten afnaaitjies). De hardnekkigste Sans in het district rond d'Kar trokken zich terug diep in het Centrale Kalahari-wildreservaat. Daar, in het woeste zand, valt nog wel eens een jagende San te zien, maar ook hij houdt vee en ontvangt water met een tankauto. De oer-Sans, zoals afgebeeld in koffietafelboeken, bestaan niet meer.

Na de onafhankelijkheid namen Tswana-boeren de leiding van Botswana over. Zij vormen de Kalahari om tot een grote veeboerderij met hekken. De waterspiegel daalde door het slaan van putten, koeien vraten het gras voor de voeten weg van wilde dieren die niet meer kunnen trekken door de hekken. De natuur werd ondermijnd en de traditioneel levende Sans raakten hun hulpbronnen kwijt. Diamanten betekenen de laatste nagel aan de doodskist. Toen de steentjes in de woestijn enkele jaren geleden gingen glinsteren, begon de regering de San te verwijderen uit het Centrale Kalahari-wildreservaat, in 1961 speciaal gesticht voor de paar honderd bittereinders.

We kwijnen weg in ellende'', vertelt Martin, een jonge San in d'Kar. ,,Voor de Tswana, de heersers van Botswana, zijn wij veejongens. Iedere hoge ambtenaar en politicus in dit land bezit een veeboerderij en wij werken er als hulpjes. We hebben geen rechten.'' De Sans, vier procent van de bevolking, zijn schroot in Botswana. De overgrote meerderheid kan lezen noch schrijven. Tot aan de onafhankelijkheid kregen ze nauwelijks land, verdragen met hen worden geschonden. ,,Nog steeds laden ze ons in vrachtwagens en verdrijven ons van het land'', klaagt Martin. ,,Andere stammen krijgen altijd een betere behandeling.''

Daar waar in Zuid-Afrika de president droomt van een Afrikaanse renaissance, laat zijn Botswaanse collega Festus Mogae zich leiden door keiharde machtsoverwegingen. De autoriteiten in Botswana weigeren de Sans te zien als een aparte en kwetsbare groep. In de Afrikaanse politiek wint het nationalisme het van culturele diversiteit en recht voor minderheden. ,,Hoe kan een schepsel uit het stenentijdperk in de eeuw van de computer voortbestaan'', verkondigde de president. ,,Willen de Bosjesmannen overleven dan moeten ze veranderen, anders, gelijk de dodo, zullen ze vergaan.''

Op de Dqae Qare boerderij, een half uurtje rijden van d'Kar, bezichtig ik de laatste stuiptrekkingen van de oude San-cultuur. Twintig jonge mannen en vrouwen plezieren toeristen op een boerderij van 7.500 hectare savanne. De buitenlandse hulpverlening financierde de aankoop van de grond en de gebouwen. De felle zon weerkaatst op de hagelwitte muren van de voormalige Afrikaner hofstede. In de eetkamer hangen een antieke kroonluchter en een pijl en boog met dierenvelletje zij aan zij. San in trainingspakken, lange jurken en met slaapmutsen lopen af en aan om de gasten te bedienen.

Als welkom krijg ik de prijslijst in de hand geduwd. Twintig pula (tien gulden) voor een uurtje wandelen in het veld, 150 pula voor een reisje op een ezel met overnachting in een San huis (,,Nee, wijzelf wonen daar niet'', verduidelijkt een San vrouw met lippenstift, ,,het zijn onze werkhutten voor toeristen.''), 75 pula voor verhalen vertellen en 200 pula voor dansen. Toerisme geldt ook in Botswana als overlevingsstrategie voor de Sans.

De bewoners van Dqae Qare verzamelen zich voor ons gesprek op de veranda. Bob Haashe begint het verhaal. Hij is een weerbare jongen van misschien 25 jaar. Veel te vroeg drongen zich rimpels op zijn jeugdige gezicht. ,,Wij groeiden op toen onze ouders al op blanke boerderijen werkten. We waren cattle boys. Voor onze meester speurden we naar leeuwen. Het oude leven ging voor ons verloren. We zagen onze ouders dansen rond het kampvuur bij de ziekte van een kind. Nu dansen we alleen nog voor toeristen.'' Verlangen ze naar het traditionele leven? Nee, luidt unaniem het antwoord. ,,We willen de vreugde van het stenentijdperk bewaren en ons aanpassen aan de moderne tijd. We willen het verleden niet vergeten.''

De Sans verdreven de tijd en de slechte geesten met dans. Ze dansten voor bijna alles, om een geboorte te vieren, een huwelijk, de eerste menstruatie of een geslaagde jacht, om de wilde dieren te bedanken en om de kleine honger van de maag en de grote van de geest te bevredigen. Een flinterdunne lijn scheidde het natuurlijke en bovennatuurlijke. In de dans vloeiden hun aardse en spirituele bestaan ineen. De trance bracht ze in gevecht met de geesten van de doden. Deze hadden een levende ziek gemaakt of ruzie in de groep veroorzaakt. Onder het uitspreken van simpele zinnen in onverstaanbare woorden draaiden ze ellenlang om het vuur, stampend en klappend, tot de strijd beslecht was. ,,Zullen we vanavond de dans voor u opvoeren'', vraagt Bob. Vriendelijk bedank ik hem.

De Sans offeren hun geschiedenis op aan de antiquiteit. Ze zijn een karikatuur van zichzelf geworden. Wat moet dat met al die andere volkeren die hun eeuwenoude cultuur en identiteit bewaren willen? Afrika wordt straks één groot pretpark van wilde dieren en `primitieven'!

Bob schrijft een forse rekening voor mijn verblijf op Dqae Qare en drukt me op het hart niet in de krant te schrijven dat het duur is om Dqae Qare te bezoeken. Dat beloof ik. We schaterlachten en zeggen elkaar vaarwel. De wereld van de San is kapot, zijn geschiedenis een legende geworden. Zijn traditie van delen is uit de tijd. Ze jagen naar de schaduw van hun verleden en bouwen een toekomst op los zand. Ze presenteren zich als een soort Flintstones, geen waardige en zelfbewuste Sans. Ze zijn getraumatiseerd, komen zelfs niet in opstand.

`Sheta', noemden de Sans zichzelf, een verbastering van shit. Ze kijken op zichzelf neer, twijfelen aan hun cultuur, gingen geloven dat hun ras uitsterft. Ze werpen zich op als levende fossielen en verkopen die aan toeristen. Het doet denken aan de profetie van de reiziger W.J. Makin. Zijn voorspelling in 1929 kwam uit: `Misschien zullen eens de Bosjesmannen eindigen op hun dieptepunt, hun laatste vernedering: tentoongesteld door een reizende kermisbaas'. (Perhaps someday, the Bushmen will degenerate into that final humiliation: an exhibit by a travelling showman)

De Boeren brandmerkten hen als `Bosjesmannen' of `Strandlopers'. Als honden schoten ze de Sans af

Willen de Bosjesmannen overleven dan moeten ze veranderen, anders, gelijk de dodo, zullen ze vergaan