Parlement laat zich denkverbod opleggen

Paars is een a-politiek kabinet, dat modernisering vooropstelt. Zelfs de oppositie zit gevangen in pragmatisme. Maar een weerbare democratie kan niet functioneren zonder ideologische debatten, meent Jan Verhoogt.

Na de voetbaleuforie volgt nu de vakantie. De Tweede Kamer zette donderdag een punt achter de parlementaire werkzaamheden, die in augustus weer worden hervat. De 150 Kamerleden mogen uitrusten – dat zullen ze zeker doen, maar niet van de bloedstollende debatten die ze hebben gevoerd, want die zijn er nauwelijks geweest. Er is in feite geen échte politiek bedreven in die zin dat bewindslieden zich op grond van politieke ideeën hebben verantwoord voor het beleid dat zij voorstaan.

Dat heeft veel, zo niet alles te maken met de a-politieke oorsprong en signatuur van Paars. De leuze `het einde van de politieke ideologie' indachtig, hebben liberalisme en sociaal-democratie zich door D66 in één kabinet aan elkaar laten klinken. Sinds 1994 geldt voor de Nederlandse politiek: liberalisme en socialisme op één kussen, daar slaapt het pragmatisme tussen. Binnen dat pragmatische kader wordt per `issue' meer markt of meer staat in het beleid gebracht. Een politiek debat waarin frank en vrij uit het rijke liberale en sociaal-democratische gedachtegoed wordt geput, blijft achterwege. Kende Duitsland in de jaren zeventig het Berufsverbot, de Tweede Kamer laat zich door het pragmatisme een Denkverbot opleggen.

Paars ging van start met de pretentie dat de tijd rijp was voor een nieuwe manier van politiek bedrijven. Het parool werd: zakelijkheid, effectiviteit en daadkracht. Het recente Kamerdebat en de stellingname van de regeringspartijen betreffende het vraagstuk van de integratie van minderheden, lieten echter een heel ander beeld zien. Hoewel tijdens het debat niet werd getwijfeld aan de goede intenties van het kabinet, werd tegelijk geconstateerd dat het integratiebeleid niet van de grond was gekomen, mede vanwege een logge ambtelijke bureaucratie. Weliswaar worstelt elk kabinet met de spanning tussen tussen beleidsvoornemens en de uitvoering daarvan, maar bij een kabinet dat zakelijkheid, effectiviteit en daadkracht hoog in zijn vaandel voert, komt dat hard aan. Want wanneer met betrekking tot een beleidsterrein dat de kwalificatie 'centraal' heeft gekregen, Kamerbreed wordt geconstateerd dat zes jaar beleid nauwelijks resultaat heeft opgeleverd, betekent dit een rechtstreekse aantasting van de politieke pretentie van dit kabinet.

De fractiewoordvoerders van de regeringspartijen gedroegen zich devoot paars, hetgeen resulteerde in hun instemming met voortzetting van het bestaande beleid, maar dan in een hogere versnelling. Opvallender was echter dat de oppositie het falen van het integratiebeleid niet aangreep voor een kritische discussie over de grondslag van het kabinet. Niet alleen de regeringspartijen, maar ook de oppositie bleven gevangen in de greep van paars en voerden niet het politieke debat dat gevoerd had moeten worden. Zelden werd het Denkverbot dat men zich door het pragmatisme heeft laten opleggen, zo zichtbaar als in de afgelopen maanden.

Hiermee is niet beweerd dat een zekere verzakelijking van de politiek geen waardevolle bijdrage kan leveren aan het realiseren van gestelde politieke doeleinden. Het kan daarbij ook zinvol zijn dat halverwege het parlementaire jaar wordt nagegaan in hoeverre de gestelde doeleinden met de beschikbare middelen zijn bereikt. Wanneer echter een a-politiek kabinet zichzelf op Verantwoordingsdag tussentijds aan zijn eigen a-politieke termen gaat toetsen, waarbij in de woorden van Marcel van Dam `aanpassing aan gegeven problemen de maat van succes wordt' [de Volkskrant, 18 mei] dreigt een ont-politisering van de politiek in het kwadraat. Dan is een hachelijke omslag gemaakt naar een situatie waarin zakelijkheid tot dominante maatstaf voor de politiek is geworden. Het gevolg is dat ook vraagstukken van publieke orde en maatschappelijke integratie, die primair hun oorzaak vinden in [een gebrek aan] normstelling en normhandhaving, eenzijdig in zakelijk-instrumentele beleidstermen worden vervat.

Maar er is meer. Het kabinet heeft allengs de gewoonte aangenomen om, wanneer weer een pakket maatregelen ter bestrijding van problemen betreffende bijvoorbeeld de openbare orde of de integratie van minderheden wordt aangekondigd, daaraan toe te voegen dat het kabinet hiermee zijn verantwoordelijkheid heeft vervuld. Het is nu aan de samenleving, zo wordt erbij aangetekend, om bij de oplossing van deze problemen ook haar verantwoordelijkheid te nemen. Echter, een samenleving kan door een overheid alleen met gezag op haar verantwoordelijkheid worden aangesproken, wanneer die overheid op overtuigende wijze haar verantwoordelijkheid neemt voor datgene waarvoor zijzelf bij uitstek verantwoordelijk is, namelijk goede politiek – politiek naar letter en geest van de democratische rechtsstaat.

Maar is dit geen politieke taal uit een tijd die voorbij is? Lijkt het paarse denken en doen niet beter, en steeds beter, aan te sluiten bij wat de huidige tijd vereist? Paars heeft zich daarbij inmiddels verbonden met een brede moderniseringsbeweging die haar thuisbasis in Amerika heeft. In die beweging vormen a-politiek pragmatisme, ICT en de New Economy elkaar wederzijds versterkende krachten. Deze beweging vindt haar pendant in een postmodernistische levensstijl waarin regels, normen en instituties bij voorbaat worden opgevat als tijdelijke en altijd opzegbare afspraken en arrangementen. Het betreft inderdaad een zeer brede en massieve moderniseringsbeweging. Het is echter ook een beweging zonder innerlijke maat of grens, die zodoende haar eigen crisis in zich bergt.

Deze moderniseringsbeweging is slechts één kant van de samenleving. Er zijn ook stemmen die pleiten voor een ingetogen maar overtuigde handhaving en overdracht van de beginselen van de rechtsstaat en de democratie, alsmede een behoedzame omgang met de normen en instituties die dat politieke stelsel ondersteunen. Dat zijn eigenlijk stemmen waar liberalisme en sociaal-democratie op natuurlijke wijze bij zouden kunnen aansluiten. Voorwaarde is dan wel dat beide stromingen zich ideologisch grondig heroriënteren.

Dat liberalisme en sociaal-democratie momenteel verlamd zijn en zich niet aan het a-politieke pragmatisme kunnen ontworstelen, is vooral gevolg van het feit dat deze stromingen zich ideologisch hebben geprofileerd in de armoedesamenleving van de negentiende eeuw. Maar zoals die samenleving een armoedesamenleving was, weliswaar ook met schrijnende rijkdom, lijkt zich in de 21ste eeuw een welvaartssamenleving, met gevallen van schrijnende armoede, te ontwikkelen. Deze geïndividualiseerde welvaartssamenleving kent echter haar eigen fundamentele problemen van openbare orde en maatschappelijke integratie. Deze problemen vragen om politiek-ideologische antwoorden. Liberalisme en sociaal-democratie zouden aan deze antwoorden een wezenlijke bijdrage kunnen leveren. Daartoe zouden ze zich moeten losmaken van hun 19e-eeuwse grondbegrippen en zich weer moeten laten inspireren door hun oorspronkelijke grondleggers: Locke en Rousseau, die de letter en geest van rechtsstaat en democratie onder woorden hebben gebracht.

Hun ideeën zouden in relatie tot de huidige samenleving opnieuw dienen te worden geformuleerd en als leidraad voor de politiek moeten worden genomen. Een dergelijke herideologisering van de politiek zal zeker met toenemende politieke confrontatie en conflict gepaard gaan. Dit ernstige politieke spel dat in de beginselen van rechtsstaat en democratie is geïmpliceerd dient echter permanent beoefend en geoefend te worden. Mocht dan onverhoopt toch een economische terugslag of crisis uitbreken, dan valt te hopen dat burgers en politici, oud en nieuw, zijn toegerust om de gevolgen daarvan binnen de orde van de democratische rechtsstaat te verwerken.

Dr.J.P.Verhoogt is verbonden aan de afdeling Politicologie en Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.