Droom van een glorieuze terugkeer

Twee maanden geleden zette Salman Rushdie voor het eerst in veertien jaar weer voet op Indiase bodem. Sinds de Iraanse ayatollah Khomeiny ruim tien jaar geleden de beruchte fatwa over de Engels-Indiase schrijver uitsprak wegens zijn 'godslasterlijke' roman De duivelsverzen, mocht hij zijn vaderland niet meer betreden.

Tien jaar lang leidde Rushdie een half verborgen leven, met een cordon van veiligheidsagenten om zich heen. De laatste tijd werden de veiligheidsmaatregelen wat versoepeld, vooral sinds Iran na de dood van Khomeiny bij herhaling verzekerde niet op de dood van de schrijver uit te zijn.

Vorig jaar verscheen De grond onder haar voeten, een liefdesverhaal dat zich af speelt in India, Engeland en Amerika. Het boek werd genomineerd voor de Commonwealth Writers' Prize, die in New Delhi werd uitgereikt. De prijs ging uiteindelijk naar J.M. Coetzee.

Het werd een emotionele reis voor Rushdie, omgeven met strenge veiligheidsmaatregelen van doodsbange Indiase politieagenten. Het was een thuiskomst, een initiatierite, een confrontatie met zijn verleden en een

hernieuwde kennismaking met het moderne India. En het werd uiteindelijk een zegetocht.

Donderdag 6 april

Ik ben vaak uit India weggegaan. De eerste keer was ik dertieneneenhalf en ging ik in Engeland naar de kostschool van Rugby. Mijn moeder wilde niet dat ik ging maar ik zei dat ik wilde. Opgewonden vloog in ik januari 1961 naar het westen, zonder echt te weten dat ik een stap zette waardoor mijn leven voorgoed zou veranderen. Een paar jaar later verkocht mijn vader opeens zonder mij iets te zeggen Villa Windsor, ons huis in Bombay. Op de dag dat ik dat hoorde, voelde ik een afgrond opengaan onder mijn voeten. Ik heb mijn vader denk ik nooit vergeven dat hij dat huis heeft verkocht en ik weet zeker dat ik er anders nog altijd zou wonen. Sindsdien zijn mijn per sonages veelvuldig uit India naar het westen gevlogen, maar de verbeelding van hun schrijver is er boek na boek weer naar teruggekeerd. Misschien is d t echt van een land houden: dat de vorm ervan ook jouw vorm is, de vorm waarin je denkt en voelt en droomt. Daar kun je nooit echt uit weg.

Voorafgaand aan de moordpartijen bij de Deling in 1947 gingen mijn ouders weg uit Delhi en verhuisden naar het zuiden, in de terechte veronderstelling dat er minder ellende zou zijn in het wereldse, kosmopolitische Bombay. Zo groeide ik op in die verdraagzame, ruimdenkende stad waarvan ik het typerende - noem het vrijheid - vanaf dat moment heb proberen vast te leggen en te bejubelen. Middernachtskinderen (1981) was mijn eerste poging tot zo'n literaire landverovering. Ik woonde in Londen en wilde India terughebben; en de vreugde waarmee Indiase lezers zich het boek toeëigenden, de hartstocht waarmee zij zich mij op hun beurt toeëigenden, blijft de dierbaarste herinnering uit mijn schrijversleven.

In 1988 was ik van plan om van het voorschot voor mijn nieuwe roman een thuis-

basis in India te kopen. Maar die roman was De duivelsverzen en toen die was verschenen veranderde voor mij de wereld; ik kon geen voet meer zetten in het land dat nog altijd mijn voornaamste artistieke inspiratiebron is. Als ik navraag naar een visum deed, kreeg ik steevast te horen dat me dat niet verstrekt zou worden. Niets van die jarenlange kwelling, het donkere decennium dat volgde op de fatwa van Khomeiny, heeft meer pijn gedaan dan deze breuk. Ik voelde me als een afgewezen minnaar die alleen bleef met zijn onbeantwoorde, ondraaglijke liefde. Liefde is af te meten aan het gat dat ze achterlaat.

En het was een ernstige breuk, laten we wel wezen. India was het eerste land ter wereld waar De duivelsverzen werd verboden, en in strijd met India's eigen voorgeschreven rechtsgang ook nog eens voor het boek in het land was. Dat gebeurde door een zwak ke Congrespartij-regering onder Rajiv Gandhi, in een vertwijfelde en vergeefse poging om moslim-stemmen te winnen. Daarna heeft het weleens geleken of de Indiase autoriteiten per se zout in de wond wilden strooien.

Toen in het najaar van 1995 De laatste zucht van de moor uitkwam, probeerde de Indiase regering goede vrienden te blijven met het tuig dat zo zijn best heeft gedaan om de oude geest van openheid in Bombay te schaden en dat ik daarom in dat boek op de hak neem. Met behulp van de douane werd de invoer van het boek belet, maar onder de dreiging van een rechtszaak bond de regering vlug weer in.

De pogingen van de bbc-televisie om Middernachtskinderen, op basis van een scenario van mijn hand, tot vijf uur prestigieus drama te bewerken liepen spaak toen India geen toestemming om te filmen gaf. Dat Middernachtskinderen niet verfilmd mocht worden in zijn eigen land, het land waar nog maar zo kort geleden met zoveel bijval en blijdschap de verschijning ervan was gevierd, ging me diep aan het hart.

Er waren ook kleinere, maar nog altijd krenkende beledigingen. Jarenlang ben ik tot persona non grata verklaard door het Nehru-centrum, de culturele tak van de Indiase Hoge Commissie in Londen. En ook werd me ten tijde van de vijftigste verjaardag van de Indiase onafhankelijkheid de toegang ontzegd tot de viering op het Indiase consulaat in New York.

Intussen is het in bepaalde Indiase literaire kringen mode geworden om misprijzend over mijn werk te doen. En uiteraard is het verbod op De duivelsverzen nog altijd van kracht.

Na de overeenkomst van 24 september 1998 tussen de Engelse en Iraanse regering, waarmee de fatwa van Khomeini praktisch gesproken van de baan was, veranderde er in India voor mij gaandeweg ook het een en ander. Ruim een jaar geleden kreeg ik van India een visum voor vijf jaar. Maar meteen kwamen er dreigementen van radicale moslims zoals imam Bukhari van de Jama Mashid, de belangrijkste moskee in Delhi. Nog zorgelijker was het oordeel van sommige commentatoren: ik kon maar beter niet naar India gaan want dan leek ik misschien wel een pion van de nationalistische hindoeregering van de Bharatiya Janata-partij. Ook al ben ik nooit hun man geweest, dat zou de bjp er niet van weerhouden mij voor haar eigen sektarische doeleinden te gebruiken.

'Ballingschap', staat ergens in De duivelsverzen, 'is de droom van een glorieuze terugkeer.' Maar de droom vervaagt en de gedroomde terugkeer voelt niet meer als glorieus. De dromer wordt wakker. Ik had India bijna opgegeven, bijna geloofd dat het voorgoed uit was met de liefde.

Maar dat blijkt dus niet zo. Ik blijk op het punt te staan om na twaalfeneenhalf jaar naar Delhi af te reizen. Mijn zoon Zafar, twintig nu, gaat met me mee. Hij is sinds zijn derde niet in India geweest en is heel opgewonden. Maar bij mij vergeleken is hij nog een toonbeeld van koelbloedigheid en kalmte.

Vrijdag 7 april

De telefoon gaat. De politie van Delhi is doodzenuwachtig over mijn naderende komst. Of ik alsjeblieft wil zorgen dat ik in het vliegtuig niet word opgemerkt. Mijn kale hoofd is erg herkenbaar; of ik alsjeblieft een hoed wil opzetten. Ook mijn ogen zijn eenvoudig te herkennen; of ik alsjeblieft een zonnebril wil opzetten. O, en mijn baard, die verraadt me echt meteen; of ik daar een sjaal omheen wil dragen... Het is zowat veertig graden in India, merk ik op: een sjaal zou wel eens een beetje warm kunnen blijken... O, maar er zijn ook katoenen sjaals...

Deze verzoeken worden mij doorgegeven door mijn meestal stoïcijnse Indiase advocaat Vijay Sjankardass, op zo'n toon van 'ik ben ook maar de boodschapper'. Als ik nu eens de hele reis een zak over mijn hoofd doe? stel ik heetgebakerd voor. 'Salman', zegt Vijay behoedzaam, 'de spanning loopt hier behoorlijk op. Ik ben er zelf ook niet gerust op.'

Van de organisatoren van de Common wealth Writers' Prize, de literatuurprijs van het Gemenebest, op wier uitnodiging ik naar Delhi ga, krijg ik gemengde berichten. Pavan Varma, ambtenaar en tevens belast met de publiciteit rond de prijs, wijst elk verzoek om discretie van de hand en zegt op een persconferentie dat ik waarschijnlijk bij het prijsdiner zal zijn. Colin Ball daarentegen, hoofd van de Commonwealth Foundation, de stichting die de prijs toekent, zegt tegen Vijay dat hij de uitnodiging aan mij misschien zal moeten intrekken als niet alle twintig buitenlandse bezoekers die voor de plechtigheid naar Claridge's Hotel komen politiebescherming krijgen. Ook al verblijf ik helemaal niet in het Claridge en heeft geen mens die afgevaardigden bedreigd, terwijl ze zelfs volgens de Indiase autoriteiten geen enkel gevaar lopen. De enige dreigementen op dit moment zijn die van Ball zelf.

Ik ga naar India omdat de toestand is verbeterd en ik het tijd vind om te gaan. Ik ga omdat ik nooit zal weten of het wel of niet kan als ik niet ga. Ik ga omdat ondanks alles wat er tussen India en mij is gebeurd, ondanks mijn gewonde hart, de liefdeshaak te diep zit om hem er nog uit te trekken. En ik ga vooral omdat Zafar heeft gevraagd of hij met me mee mag. Hoog tijd dat hij de kennismaking met zijn andere land hernieuwt.

Maar eerlijk gezegd weet ik niet wat ik verwachten moet. Zal ik me welkom voelen of veracht? Ik weet niet of ik terugga voor een groet of voor een afscheid. Ach, doe toch niet zo theatraal, Salman. Wacht nou eerst maar eens af. Je stapt op het vliegtuig en gaat. Gewoon doén.

Dus vlieg ik naar Delhi en niemand die het merkt. Daar in de business class zit hij, de onzichtbare man. Op een uitschuifschermpje naar de nieuwe film van Pedro Almodovar te kijken terwijl het vliegtuig over eh, Iran vliegt. Daar achter zijn slaapmasker zit de onzichtbare man te snurken.

En daar ben ik aan het einde van de reis en stap uit in de warmte van Delhi's internationale luchthaven, met Zafar naast me, en alleen Vijay Sjankardass die ons ziet. Abracadabra! Niets dan magisch realisme. Vraag me niet hoe het werkt. Een slimme goochelaar legt zijn truc nooit uit.

Ik heb de neiging de grond te kussen, of liever gezegd: de blauwe vloerbedekking in de 'slurf' op het vliegveld, maar ik schroom om dat te doen onder het waakzaam oog van een legertje veiligheidsbeambten. Ik laat de vloerbedekking ongekust en stap uit de aankomsthal de verzengende kurkdroge hitte van Delhi in - zo anders dan de klamheid van een natte handdoek in mijn geboortestad Bombay. De warme dag omhelst ons. Een weg als een tapijt ontrolt zich voor ons. We stappen in een krappe witte Hindustan Ambassador, een auto die zelf ook stamt uit een ver verleden, de Britse Morris Oxford die in Engeland allang ter ziele is maar hier in deze Indiase vertaling nog springlevend. De airconditioning van de Ambassador is stuk.

Ik ben thuis.

Zaterdag 8 april

India hecht niet aan ceremonieel en vliegt van alle kanten op me af, omspoelt me met zijn eindeloos geharrewar, schreeuwt als vanouds om mijn totale aandacht. Koop kakkerlakvallen van Chilly! Drink bronwater van Hello! Hardrijders zijn doodrijders! roepen de reclameborden. Er zijn ook nieuwe soorten boodschappen. Doe een cursus Oracle 81. Leer ook Java. En als blijk dat de lange jaren van protectie voorbij zijn, is Coca-Cola dubbel en dwars terug. Het was verboden toen ik hier voor het laatst was en daardoor had de walgelijke plaatselijke imitatie, Campa-Cola en Thums Up, het rijk alleen. Nu zie je om de honderd meter een rode Coke-reclame. De huidige reclameleus van Coke is in het Hindi maar dan geschreven in romeinse letters: Jo Chaho Ho Jaaye. Wat letterlijk vertaald zou kunnen worden als 'wat je wens ook is, laat hem uitkomen.'

Ik besluit dit te beschouwen als een heilwens.

Toeteren graag, vragen de borden achter op het miljoen vrachtwagens dat de weg ver-spert. Alle andere vrachtwagens, auto's, fietsen, scooters, taxi's en tuffende autoriksja's gaan geestdriftig op die oproep in en passeren Zafar en mij met een krachtige uitvoering van de traditionele Indiase straatsymfonie.

Wait for Side! Sorry-Bye-Bye! Fatta Boy!

Het nieuws is net zo'n heksenketel. Tussen India en Pakistan heerst zoals gewoonlijk onmin. De Pakistaanse ex-

premier Nawaz Sharif is net tot levenslang veroordeeld na iets wat erg veel weghad van een schijnproces onder regie van de laatste militaire sterke man die de macht gegrepen heeft, generaal Pervez Musharraf. Het Indiase leger van schreeuwende commentatoren koppelt dit verhaal aan de Pakistaanse onthulling van een nieuwe raket, de Shaheen-II, en waarschuwt somber voor de verslechtering van de betrekkingen tussen de beide landen. Een politicus van de regerende Bharatiya Janata-partij beschuldigt imam Bukhari uit Delhi van 'opruiende uitlatingen', gedaan in een aantal vermeend pro-Pakistaanse en anti-Indiase uitspraken. Plus ‡a change. Zoals altijd lopen de gemoederen hoog op.

Het was onvermijdelijk dat Bill Clinton laatst bij zijn bezoek aan het subcontinent in die oude vijandschappen verwikkeld raakte. Uit Indiaas oogpunt zei hij bijna steeds de juiste dingen. Vooral zijn harde opstelling tegen Pakistan, met zijn dictatuur, zijn atoombom, zijn onvrijheid, heeft hem tal van vrienden opgeleverd, en dat na vele jaren waarin de Indiërs ervan overtuigd waren dat de grondslag van de Amerikaanse politiek in dit deel van de wereld, om met Kissinger te spreken, 'naar Pakistan neigde'.

Als ik aankom geniet India over het geheel genomen nog wat na van het bezoek van Clinton. De blozende oude charmeur heeft het hem weer eens geflikt. De filmwereld van Bombay is in rep en roer. 'De hindoestaanse harten', bericht een showbizz - blad in zijn onnavolgbare proza, 'gingen als een gek tekeer bij de grote papa Uncle Sam.' Een filmsterretje, Suman Ranganathan, afwisselend beschreven als 'een lekker stuk' en 'apni sizzling mirchi', dat wil zeggen 'onze hoogsteigen spetterend hete chili', is helemaal weg van Grote Bill, die volgens haar 'verbazingwekkend en toegankelijk' is, en 'iemand die weet waar het volkshart voor klopt.'

In India - een vriendin, de vooraanstaande kunstcritica Geeta Kapoor, herinnert me eraan - worden mensen maar heel zelden lastiggevallen met het privé-leven van politici. Een heel oude leider van de bjp had jarenlang een maŒtresse zonder dat het ook maar enig gevolg voor zijn loopbaan had. De Indiërs bekijken het Lewinsky-schandaal dan ook met verwonderde verbazing. Zo gek is het toch niet als er wat hete chili's voor de machtigste man ter wereld willen spetteren?

Ik ben nog maar even terug en nu al word ik door iedereen die ik spreek - mijn advocaat Vijay Sjankardass, vrienden die ik meteen opbel om te vertellen dat ik aangekomen ben, politieagenten zelfs - onthaald op meningen over de nieuwe Indiase politiek. Als Bombay het New York van India is - glamour en glitter, ordinaire chic, een stad van kooplui, van films, van achterbuurten, ongelooflijk rijk, afschuwelijk arm - dan lijkt Delhi op Washington. Politiek is het enige dat telt in die stad. Niemand heeft het erg lang over iets anders.

Eens zochten de minderheden in India bescherming bij de progressieve Congres-partij, toen het enige geoliede politieke apparaat in het land. Nu is de wanorde en verrechtsing van die partij overal te zien. Onder leiding van Sonia Gandhi is het eens zo machtige apparaat vervallen en verroest.

Mensen die Sonia al jaren kennen, noemen het kletspraat dat ze nooit belangstelling voor politiek heeft gehad en zich alleen voor het leiderschap heeft laten strikken uit begaanheid met de partij. Ze schilderen een portret van een vrouw die volledig in de ban is van de macht maar er niet mee om kan gaan, omdat het haar ontbreekt aan de bekwaamheid, charme, visie en eigenlijk aan alles behalve haar machtshonger zelf. Om haar heen kruipen de flemende hovelingen van de Nehru-Gandhi-dynastie, die proberen de opkomst te verhinderen van nieuwe leiders die misschien de frisheid zouden hebben om de partij uit het slop te halen maar wie niet de leidersrol wordt gegund die volgens de kliek van Sonia alleen haar en haar kinderen toekomt.

Ik was voor het laatst in India in augustus 1987, toen ik voor de televisie een documentaire maakte over het veertigjarig jubileum van de onafhankelijkheid. Ik zal nooit vergeten dat ik in het Rode Fort Rajiv Gandhi in zijn gebroken schooljongens-Hindi een verbluffend slaapverwekkende toespraak hoorde afsteken, terwijl zijn toehoorders gewoon - en vernietigend - wegliepen. Nu zie ik op de televisie zijn weduwe, wier Hindi nog gebrekkiger is dan het zijne, een vrouw overtuigd van haar recht om te heersen, maar vrijwel alleen overtuigend voor zichzelf.

Ik herinner me een andere weduwe. In die documentaire van 1987 hadden we een vraaggesprek met een Sikh-vrouw, Ravel Kaur, wier man en zoons voor haar ogen waren vermoord door bendes waarvan bekend was dat ze werden geleid en georganiseerd door mensen van de Congres-partij. Indira Gandhi was nog maar pas vermoord door haar Sikh-lijfwacht en daar moest de hele Sikh-gemeenschap in Delhi voor boeten. De regering van Rajiv Gandhi heeft voor die moorden niemand vervolgd, on danks de vele harde aanwijzingen omtrent de identiteit van de moordenaars.

Voor Vijay Sjankardass, die Rajiv al jaren kende, waren dat ontmoedigende dagen. Hij en zijn vrouw beschermden hun Sikh-buren door ze in hun eigen huis te verbergen. Bij een bezoek aan Rajiv eiste hij dat er iets tegen die moorden werd gedaan en hij schrok hevig van Rajivs kennelijke onverschilligheid. 'Salman, hij was zo kalm.' Een van Rajivs naaste medewerkers, Arjun Das, was minder vreedzaam. 'Saalon ko phoenk do,' snauwde hij. 'Schiet die hufters overhoop.' Later werd ook hij vermoord.

Via de Indiase Hoge Commissie in Londen (mijn vriend en naamgenoot Salman Haidar, toen vice-Hoge Commissaris, moest noodgedwongen censuur

plegen) stelde de regering-Rajiv alles in het werk om te voorkomen dat onze film werd uitgezonden, vanwege het vraaggesprek met die Sikh-weduwe. Ook al was ze geen Sikh-terroriste maar een slachtoffer van het terrorisme tegen de Sikhs; ook al was ze nog altijd tegen de radicale Sikhs die een eigen staat eisten en vroeg ze niet meer dan gerechtigheid voor de doden, toch wilde India haar het zwijgen opleggen. Tever geefs, kan ik tot mijn genoegen zeggen.

Al die weduwen! In Middernachts kinderen heb ik de gek gestoken met de eerste weduwe die in India aan de macht kwam, Indira Gandhi, omdat ze die macht zo heeft misbruikt in de vrijwel dictatoriale tijd onder de noodtoestand halverwege de jaren zeventig. Ik had niet kunnen voorzien wat een klinkend - en soms ook tragisch en zielig - refrein die weduwen zouden gaan vormen.

De Congrespartij houdt er tegenwoordig vreemde vrienden op na. Het verval kan misschien het beste worden afgemeten aan de magere kwaliteit van haar bondgenoten. In de deelstaat Bihar valt de schijnwerper weer eens op het bizarre politieke duo Laloo Prasad Yadav en zijn vrouw Rabri Devi. Zij zijn min of meer het uitgangspunt voor de geheel verzonnen en door en door corrupte politici Piloo en Golmatol Dudhwala uit Bombay in mijn roman

De grond onder haar voeten.

Een paar jaar geleden werd Laloo, toen eerste minister van Bihar, beschuldigd van betrokkenheid bij de veevoerfraude, een zwendel waarbij grote subsidiebedragen van de overheid werden opgestreken voor de verzorging van koeien die helemaal niet bestonden. (In mijn roman knoeit Piloo, Indiaas 'zwendelaar deluxe', op eenzelfde manier met niet-bestaande geiten.) Laloo draaide de gevangenis in maar wist er wel voor te zorgen dat zijn vrouw Rabri eerste minister werd. Hij bleef de deelstaat lustig bij volmacht uit zijn cel besturen.

Sindsdien zit hij geregeld achter de tralies. Ook op dit moment zit hij vast en heeft Rabri het - althans technisch gesproken - voor het zeggen. Er is weer een sappig corruptieschandaal op komst. De belastingdienst wil weten hoe Laloo en Rabri op zulke grote voet kunnen leven (ze hebben een paleis van een huis) van het betrekkelijk bescheiden salaris dat ook ministers in India krijgen. Rabri is 'aangeklaagd' maar weigert af te treden - of liever gezegd: Laloo laat uit de gevangenis weten dat zijn vrouw de eerste minister onder geen beding haar post opgeeft.

Als schrijver met een satirische inslag ben ik opgetogen over het verhaal van Laloo, de schaamteloze doortraptheid, de brutale over gave, de monterheid waarmee het afschuwe lijke stel gewoon zichzelf blijft. Maar dat zij zich zo kunnen handhaven te kent ook het verval van de Indiase politieke cultuur. India is een land waarin bekende gangsters zijn gekozen in het nationale parlement en waar een man die uit zijn cel een deelstaat bestiert luide bijval kan krijgen van niemand minder dan de leider van de Con gres-partij, Sonia Gandhi in eigen persoon.

Zondag 9 april

Zafar is met zijn twintig jaar een grote, gemoedelijke jongeman die anders dan zijn vader zijn emoties verborgen houdt. Maar het is een heel gevoelig joch dat zich ernstig en aandachtig in India verdiept en daar zoetjesaan zijn eigen portret van maakt, waarmee misschien wel een nog onbekend alter ego in hem zal worden losgemaakt.

Eerst valt hem op wat iedereen bij zijn eerste bezoek opvalt: de schrikbarende armoede van de gezinnen die bij de spoorlijn wonen in wat wel vuilnisbakken lijken, de mannen die elkaar op straat bij de hand vasthouden, de 'schrikbarende' kwaliteit van mtv in India en de 'vreselijke' Bollywood-films. We rijden door de uitgestrekte legerwijk en hij vraagt of de strijdkrachten hier net zo'n grote politieke factor vormen als in het naburige Pakistan. Hij lijkt onder de indruk als ik hem zeg dat de militairen in India nooit op politieke macht uit zijn geweest.

Ik kan hem niet overhalen tot de Indiase nationale dracht. Zelf trek ik meteen bij aankomst een koele, wijde kurta-pyjama aan, maar Zafar ligt dwars. 'Dat is gewoon niks voor mij', zegt hij beslist, en houdt liever zijn jonge-Londenaarsuniform van t-shirt, werkmansbroek en gympen aan. (Aan het slot van de reis draagt hij wel de witte pyjama maar niet de kurta; er is toch enige vooruitgang geboekt.)

Zafar heeft nooit meer dan de eerste drie hoofdstukken van Middernachtskinderen ge lezen, ondanks de opdracht ('Voor Zafar Rushdie, die tegen elke verwachting 's middags werd geboren'). Sterker nog, buiten Harun en de zee van verhalen en Oost, west heeft hij nog nooit een boek van me uitgelezen. Zo zijn schrijverskinderen vaak. Die willen hun ouders als ouders, niet als schrijvers. Zafar heeft op zijn kamer altijd trots mijn volledige werk uitgestald, maar hij leest Alex Garland en Bill Bryson en ik doe net of ik dat niet erg vind.

Nu krijgt de arme jongen een stoomcursus in mijn werk en mijn leven. Na de Deling moesten mijn oom en tante zoals zoveel moslims door het leger in het Rode Fort worden beschermd tegen het geweld dat buiten woedde; dit staat beschreven in mijn roman Schaamte. En hier, achter Chandni Chowk, de bruisende hoofdstraat van Oud-Delhi, liggen de kronkelsteegjes naar de oude moslim-mohallahs zoals Ballimaran, de wijk waar mijn ouders woonden voor ze naar Bombay verhuisden; daar ook zagen Achmed en Amina Sinai, de ouders van de verteller van Middernachts kinderen, de storm opsteken die voorafging aan de onafhankelijkheid.

Zafar ondergaat al dit literair toerisme zonder morren. Kijk, hier bij Poerana Qila, het oude fort dat naar verluidt gebouwd is op de plaats van de legendarische stad Indraprashta, liet Achmed Sinai een zak geld achter om een bende brandstichtende afpersers af te kopen. Kijk, daar zijn de apen die de zak kapotmaakten en het geld weggooiden. Kijk, hier in het nationaal museum voor moderne kunst hangen de schilderijen van Amrita Sher-Gil, de half- Indiase, half-Hongaarse schilderes die model stond voor het personage Aurora Zogoiby in De laatste zucht van de moor... Ja, pap, genoeg zo, pap, denkt hij overduidelijk maar hij is te aardig om dat ook te zeggen. Ja, ik zal ze lezen, deze keer zal ik het echt doen. (Het blijft de vraag.)

Bij het Rode Fort wordt reclame gemaakt voor een avond met een klank- en lichtspel. 'Als mam erbij was', zegt hij opeens, 'had ze daar vast naartoe gewild.' Zafars mooie, intelligente moeder, mijn eerste vrouw Clarissa Luard, het literaire gezicht van de Britse Raad voor de Kunst en beschermengel van jonge schrijvers en kleine tijdschriften, was nog maar amper vijftig toen ze november vorig jaar overleed aan een teruggekomen borstkanker. Het merendeel van haar laatste uren hebben Zafar en ik aan haar bed gezeten. Hij was haar enige kind.

'Maar ze is hier geweest, hoor', zeg ik. In 1974 zijn Clarissa en ik meer dan vier maanden door India getrokken. We behielpen ons met goedkope hotels en lange busreizen en teerden op het voorschot dat ik had gekregen voor mijn eerste roman, Grimus, en dat we zo lang mogelijk rekten door zuinig aan te doen. Ik probeer nu speciaal om Zafar te vertellen wat zijn moeder hier of daar van vond - hoe opgetogen ze was over de vredigheid hier of het tumult daar. Wat begon als een kleine expeditie van vader en zoon krijgt een extra dimensie.

Ik heb altijd geweten dat dit eerste bezoek, na alles wat er is gebeurd, het lastigste zou zijn. Niet te veel ineens willen, dacht ik bij mezelf. Als dit goed gaat, wordt alles vanzelf eenvoudiger. Het tweede bezoek? 'Rushdie keert wederom terug' heeft weinig nieuwswaarde. En het derde - 'Hé, daar heb je hem weer' - klinkt helemaal niet meer als nieuws. In de lange tocht terug naar de 'normale' toestand is gewenning, en zelfs verveling, een nuttig wapen geweest. Ik zeg tegen mensen in India: 'Ik ben van plan India kapot te vervelen.'

Ik had moeten bedenken dat nu ik zelf al niet goed wist hoe het zou gaan lopen, iedereen om me heen helemaal in de rats zou zitten. In Engeland en Amerika is de toestand sterk verbeterd en is de gang van zaken weer grotendeels normaal. Ik ben niet meer gewend aan de haken en ogen van een maximale beveiliging. Ik voel me in dat opzicht in India alsof ik met een tijdmachine terugga naar die nare oude begindagen van de Iraanse aanval.

Mijn lijfwachten konden niet aardiger of efficiënter zijn, maar tjonge, wat zijn het er veel en wat zijn ze zenuwachtig. Met name in Old Delhi, waar veel moslims wonen, zijn ze schichtig, vooral als een voorbijganger zo dom is mij te ontmaskeren, ondanks mijn mantel van onzichtbaarheid.

'Meneer, u bent herkend! Iemand heeft u herkend!' klagen mijn beschermers. 'Meneer, de naam is genoemd, meneer! De naam is uitgesproken!' 'Toe, meneer, de hoed!'

Het is zinloos om uit te leggen dat ik geregeld word herkend omdat ik er nu

eenmaal zo uitzie en andere mensen niet;

of dat bij elke herkenning de reactie van de betrok kenen steevast vriendelijk, ja zelfs opgetogen is geweest. Mijn beschermers hebben als scenario een nachtmerrie in

hun hoofd - straatrellen en dergelijke - en het echte leven is domweg niet bij machte om dat uit te wissen.

Dat was een van de frustrerendste kanten van de afgelopen jaren. Allerlei mensen - journalisten, politieagenten, vrienden, onbekenden - schrijven scenario's voor mij en ik raak in die fantasieën verstrikt. Waar geen van die scenaristen ooit mee aan lijkt te komen, is de mogelijkheid van een goede afloop - waarbij ik de moeilijkheden die ik heb gekend gaandeweg overwin en het normale schrijversleven hervat dat het enige is dat ik ooit heb gewild. En toch is die totaal onverwachte verhaallijn werkelijkheid geworden.

Mijn grootste probleem is dezer dagen dat ik moet wachten tot iedereen zijn nachtmerries loslaat en zich weer bij de feiten houdt.

Ik eet bij Vivan Sundaram en Geeta Kapoor thuis in de wijk Shanti Niketan in Zuid-Delhi. Voordat ik ga verzoekt de politie me Vivan en Geeta te vragen aan niemand te vertellen dat ik kom. Onder het eten belt een hoge politiefunctionaris die hun vraagt aan niemand te vertellen dat ik ben geweest. De dag erna wordt er nogmaals telefonisch bij hen op discretie aangedrongen. Zij kunnen er wel om lachen, maar ik erger me. Het begint belachelijk te worden.

'En, voelt alles anders?' vraagt Vivan, en ik zeg: niet zo erg als ik gedacht had. De mensen veranderen niet, de plek is in wezen nog hetzelfde. Al zijn er natuurlijk veranderingen. Een vriend is ernstig ziek geweest maar is weer aan de beterende hand. Een andere dierbare vriend is er nog altijd ernstig aan toe. En natuurlijk de opvallende veranderingen. De bjp aan de macht. De nieuwe technologie die een stormachtige ontwikkeling met grote voorspoed voor de Indiase burger heeft gebracht.

Ik begin over het bezoek van Clinton, dat door Geeta en Vivan wordt bestempeld als een beslissend moment voor het rijke India dat sinds mijn laatste bezoek, onder de impuls van de nieuwe technologie, exponentieel is gegroeid. In Amerika is inmiddels veertig procent van de mensen die in Silicon Valley werken van Indiase afkomst, en in India zelf heeft het nieuwe elektronische tijdperk menig vermogen opgeleverd. Clinton heeft veel werk gemaakt van die nieuwe techno-rijken en wilde per se op bezoek in Hyderabad, een van de nieuwe economische bloeiplaatsen. Voor de wel varende Indiase burgerij was zijn komst

een bevestiging en een hoogtepunt tegelijk.

'Je hebt geen idee hoe geweldig ze het vonden', zegt Geeta. 'Zoveel mensen die zo graag met een buiging zeggen: o, meneer, wat houden wij toch van Amerika.'

'India en de vs als de twee superdemocratieën', gaat Vivan verder. 'India en Amerika als bondgenoten en gelijken. Daar kwam het op neer, en het werd zonder enige ironie gezegd.'

Het India dat ten prooi blijft aan godsdienstige sektariërs van het meest extreme en middeleeuwse soort; het India dat min of meer een burgeroorlog uitvecht in Kashmir; het India dat zijn bevolking geen eten of onderwijs of fatsoenlijke gezondheidszorg kan geven; het India dat zijn burgers niet kan voorzien van drinkwater; het India waarin miljoenen vrouwen door het ontbreken van eenvoudige sanitaire voorzieningen de roep van de natuur moeten bedwingen totdat ze onder dekking van het donker hun behoefte kunnen doen; die India's kreeg de president van de Verenigde Staten niet onder ogen.

Het nucleaire India van Gung-ho, het India van de steenrijke ondernemers, het computer-India van de super-nerds, de fonkelende beau monde van India, dat alles draaide en wervelde wel in de internationale mediaschijnwerpers die de Leider van de Vrije Wereld overal waar hij gaat vergezellen.

Maandag 10 april

Een ietwat benauwend begin van mijn dag. Ik hoor dat het hoofd van de British Council in India, Colin Perchard, mij geen toestemming geeft om aan het eind van de week de aula van de Council voor een persconferentie te gebruiken. Bovendien heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de Britse Hoge Commissaris sir Rob Young gelast om mij te mijden - hij 'mag de stal niet uit', zegt hij tegen Vijay.

Robin Cook, de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, komt in India aan op de dag dat ik van plan ben te vertrekken en wil blijkbaar als het even kan niet al te

nauw met mij in verband worden gebracht. Hij moet binnenkort naar Iran en die reis mag natuurlijk niet in gevaar komen.

(Later wordt de reis van Cook toch afgelast, vanwege de processen achter gesloten deuren tegen 'joodse spionnen' in Iran.

Zo gaat dat.)

Beter nieuws komt er van Colin Ball van de Commonwealth Foundation, die is bijgedraaid en niet langer de uitnodiging voor het prijsdiner dreigt in te trekken. Het ziet ernaar uit dat ik net als Assepoester naar het bal ga. Maar in mijn achterdocht bedenk ik dat een stichting die alleen al zo nerveus wordt van mijn aanwezigheid, vast niet zit te wachten op een nog nauwere band die een toekenning van de prijs onvermijdelijk met zich mee zou brengen.

Ik hou me voor waarom ik hier echt ben. Die Commonwealth Writers' Prize is maar een voorwendsel. De echte overwinning is dat ik deze reis met Zafar heb gemaakt. De prijs voor ons allebei is India.

We maken een tocht met de jongen langs de bezienswaardigheden: Jaipur, Fatehpur Sikri, Agra. Voor mij is de hoofdattractie altijd de weg zelf geweest.

Er zijn meer vrachtwagens dan ik me herinnerde, veel meer, blèrend en levensgevaarlijk, zoals ze vaak aan de verkeerde kant van de weg recht op ons afkomen. Om de paar kilometer zie je wrakken van frontale botsingen. Kijk, Zafar, dat is het graf van een voorname moslimheilige; alle vracht wagenchauffeurs stoppen daar en bidden om geluk, zelfs de hindoes. Dan stappen

ze weer in hun cabine en nemen afgrijselijke risico's met hun eigen leven en met dat

van ons.

Kijk, Zafar, moet je die wagens vol mannen zien. Bij de verkiezingen krijgt het hoofd van ieder dorp, de sarpanch, opdracht om op de bijeenkomsten van politici voor zulke volle wagens te zorgen. Bij Sonia Gandhi is tien wagens per dorp verplicht. De mensen zijn tegenwoordig zo teleurgesteld in de politici dat anders niemand vrijwillig naar die bijeenkomsten zou gaan.

Kijk, daar in de velden roken de vervuilende schoorstenen van baksteenovens. Buiten de stad is de lucht wel minder smerig, maar nog altijd niet schoon. Maar vergeet niet dat in Bombay door de smog tussen december en februari voor 11 uur

's ochtends geen vliegtuigen kunnen landen of opstijgen.

De nieuwe tijd is onmiskenbaar aangebroken. Als je Hindi kon lezen, Zafar, zou je de nieuwe woorden van de nieuwe tijd fonetisch weergegeven zien in het Devanagiri-schrift van die taal: Millenniumbanden. Oase Mobiel. Chinees 'fastfood' van Modern.

Hij wil Hindi leren. Hij is goed in talen en wil Hindi en Oerdoe leren en dan nog eens terugkomen zonder het huidige gedoe ons heen - bot gezegd: zonder mij. Best.

Hij is verkocht. Als India je eenmaal heeft gegrepen, Zafar, kom je nooit meer los.

Kijk, Zafar, naar die onbegrijpelijke letterwoorden van India. Wat is een wakf? Wat is een hsidc? Maar één letterwoord

onthult een ware aardverschuiving in de werkelijkheid. Dat zie je nu overal, zo om

de honderd meter: std-isd-pco. pco betekent Personal Call Office, en iedereen kan nu zo'n hokje binnenstappen en iedereen in India, ja in de hele wereld bellen en dan bij de uitgang betalen. Dit is de ware communicatierevolutie in India. Niemand hoeft meer geïsoleerd te zijn.

Bill Clinton bezocht het vestingpaleis Amber op de heuveltop buiten Jaipur, maar hij mocht zich van zijn lijfwachten niet overgeven aan het befaamde toeristenvermaak ter plaatse. Onder aan de heuvel is bij Amber een olifantentaxistandplaats. Je koopt een kaartje bij een boekkantoortje en schommelt dan op de rug van je huurdikhuid de heuvel op. Wat de president niet mocht, krijgen Zafar en ik wel voor elkaar. In een ogenblik van leedvermaak ben ik blij dat de veiligheidsmaatregelen voor iemand anders nog strenger en beperkender waren dan voor mij.

Wel heeft Clinton in de saffraantuin van Amber danseressen zien wervelen en springen. Dat heeft hij vast leuk gevonden. Rajasthan is kleurrijk. De mensen dragen kleurrijke kleding en doen kleurrijke dansjes en rijden op kleurrijke olifanten naar kleurrijke oude oorden, en dat hoort een president te weten.

Hij hoort ook te weten dat in een proefgebied nabij Pokhran in de Thar-woestijn van Rajasthan India door de Indiase wetenschap het atoomtijdperk is binnengevoerd. Daarmee vormt Rajasthan de wieg van het nieuwe India, dat gezien moet worden als bondgenoot en gelijke van Amerika. (Clinton is wel over het kernstopverdrag begonnen maar heeft India niet kunnen overhalen om te tekenen. Tenslotte hebben de vs zelf ook niet getekend.)

Wat niet onder Clintons aandacht mag komen - want daarvoor is geen plaats in het kleurrijke, toeristische India van de olifantentaxi, maar evenmin in het nieuwe ondernemers-India van de internetmiljardairs dat momenteel aan de wereld wordt verkocht - is dat Rajasthan en buurstaat Gujarat op het ogenblik omkomen van dorst en ten prooi zijn aan de ergste droogte sinds ruim een eeuw.

Wat de president niet eens mag dénken is dat het geld dat wordt besteed aan die belachelijke Bom van India zieken en hongerigen aan zorg en eten had kunnen helpen.

Of dat het nergens op slaat dat premier Vajpayee een beroep op het Indiase volk doet om met een gift - 'hoe klein ook' - de grootscheepse verwoesting door de droogte te bestrijden, terwijl de Indiase regering in Rajasthan nog altijd een vermogen uitgeeft aan dat andere massavernietigingswapen.

Het is heet, zo'n drieënveertig graden. Het heeft al twee jaar niet geregend en het duurt nog twee maanden tot de volgende moesson. De waterputten vallen droog en de dorpelingen drinken noodgedwongen vuil water, waar ze diarree van krijgen, waar ze weer van uitdrogen, en zo wordt de vicieuze cirkel almaar knellender.

Toen ik hier voor het laatst was, ruim twaalf jaar geleden, was de streek in de greep van de vorige ergste droogte aller tijden. Ik ben toen door Gujarat getrokken en zag daar vrijwel hetzelfde soort verwoesting als overal op het platteland van Rajasthan te zien is. Dit schreef ik toen; nu is het nog erger:

'De regen heeft het zo vaak laten afweten dat ze nu van een geslaagde droogte spreken. Het zijn boeren van de hoogvlakte, veehouders, maar hun vee laat hen in de steek. Op zoek naar water trekt het wankelend naar het zuiden en oosten en maakt onder het lopen een reutelend geluid. Langs de route van hun vergeefse exodus liggen hun schedels - gehoornde kilometerpaaltjes. Er is water in het westen, maar dat is zout. Nog even en ook die moerassen hebben de geest gegeven. Over de uitgeloogde grauwe vlakten waaien amaranten. Er zijn zulke grote scheuren dat ze een mens kunnen verzwelgen. Voor een boer een heel toepasselijke dood: opgevreten worden door zijn land.' (The Firebird's Nest).

Naarmate de kloof tussen het feestmaal van de haves en de honger van de have-nots breder wordt, komt de stabiliteit van het land onherroepelijk steeds meer in gevaar. Ik heb een andere geur geroken en al verwoord ik niet graag iets wat niet meer is dan een vermoeden, ik voel bij mensen wel degelijk een grotere ontvlambaarheid, een knetterende woede net onder de oppervlakte, een kortere lont.

Bij het eten neemt Zafar een bedorven garnaal. Dat verwijt ik mezelf. Ik had eraan moeten denken hem te wijzen op de grondregels voor reizigers in India: drink altijd water uit een fles, let erop dat de verzegeling van de fles in je bijzijn wordt verbroken, eet nooit sla (want die is vast niet gewassen in water uit de fles), drink nooit iets met ijsblokjes (want die zijn vast niet gemaakt van water uit de fles)... en eet nooit, nooit vis tenzij je aan zee bent.

Zafars garnaal treft hem als een mokerslag. Hij doet die nacht geen oog dicht: braken, diarree. De volgende ochtend ziet hij er vreselijk uit en we hebben een lange, zware reis voor de boeg, over hobbelige, lastige wegen. Nu moet ook hij oppassen voor uitdroging. Maar anders dan de dorpelingen die we achterlaten, hebben wij gebotteld drinkwater in overvloed, en de juiste medicijnen. En natuurlijk vertrekken we.

Dinsdag 11 april

Een dag die alles van ons vergt. Een lange, gruwelijke reis naar Agra, daarna terug naar Delhi. Zafar heeft het moeilijk maar laat zich niet kennen. Hij is te zwak om rond te lopen bij het schitterende Fatehpur Sikri en weet zich nog maar net voort te slepen bij de Taj Mahal, die hij kleiner vindt dan hij had verwacht. Ik ben heel opgelucht als ik hem eindelijk in een lekker hotelbed kan laten kruipen.

Roper Starch Worldwide, een marktonderzoeksbureau, heeft een 'wereldgeluksbarometer' opgesteld. Gemiddeld

blijkt maar 24% van de wereldbevolking zichzelf als gelukkig te omschrijven. De gelukkigste landen zijn de vs (46%), India (37%) en Groot-Brittannië (36%). India

heeft de zilveren geluksmedaille! Daarmee is het recht bevestigd om aan te schuiven

bij de wereldtop!

Woensdag 12 april

Ergens in de jaren dertig heeft mijn opa van vaderskant, Mohammed Din Chaliqi, een geslaagde zakenman uit Delhi, een buitenhuis voor zijn gezin gebouwd - een bescheiden stenen huisje voor de warme maanden in het fraaie stadje Solan in de Simla-heuvels. Hij noemde het 'Villa Anis', naar zijn enige zoon Anis Achmed. Die zoon, mijn vader, die later de achternaam 'Rushdie' aannam, schonk dat huis op mijn 21ste verjaardag aan mij. En elf jaar geleden nam de regering van de deelstaat Himachal Pradesh het zonder enige grond in beslag.

Het is in India niet zo eenvoudig om iemand zijn eigendom af te nemen, zelfs niet voor een deelstaatregering. Om de Villa Anis in bezit te krijgen werd hij door de plaatselijke autoriteiten valselijk tot 'evacué-bezit' verklaard. De wet op het evacué-bezit werd na de Deling opgesteld om de staat huizen in beslag te kunnen laten nemen die waren achtergelaten door personen en gezinnen die naar Pakistan waren getrokken. Deze wet gold niet voor mij. Ik was Indiaas staatsburger tot ik door naturalisatie Engelsman werd en ik heb nooit een Pakistaans paspoort gehad of in dat land gewoond. Villa Anis was mij aantoonbaar wederrechtelijk ontnomen.

Vijay Sjankardass en ik raakten goed bevriend dankzij Solan. Vijay was een van de meest vooraanstaande advocaten van India, met menige klinkende overwinning op de censuur op zijn naam, en hij pakte namens mij de autoriteiten van Himachal aan. De zaak vergde zeven jaar en we wonnen. Beide delen van die zin zijn indrukwekkend. Zeven jaar is naar Indiase maatstaven ongelooflijk snel. En winnen van een regering, ook al heb je overduidelijk het recht aan je zijde, dat is geen sinecure. De overwinning van Vijay heeft in India grote bewondering geoogst en hij verdient al de koedo's die hij heeft gekregen.

Voor Vijay was de zaak-Solan maar een deel van zijn grotere taak om mijn verhouding met India recht te zetten, en dat is een soort persoonlijke kruistocht voor hem geworden. Hij heeft er veel tijd in gestoken, de stemming gepeild, politici bewerkt, onvermoeibaar mijn belang behartigd. Zonder hem was deze reis onmogelijk geweest. Hij heeft een zachte stem, is echt voortreffelijk in staat tot onderhandelen en overreden en ik ben hem zoveel dank verschuldigd dat ik die nooit meer af kan lossen.

In november 1997 kregen we de villa in Solan terug. Sindsdien is het dak hersteld, het huis schoongemaakt en geverfd en één badkamer gemoderniseerd. Het indrukwekkende is dat elektriciteit, sanitair en telefoon het allemaal doen. Met het oog op ons bezoek is er bij een plaatselijke winkel voor een week meubilair met toebehoren gehuurd, tegen de voor een zeskamerwoning onwezenlijke prijs van 25 dollar. Op het terrein woont een huismeester met zijn gezin. Solan is zo uitgegroeid dat het totaal onherkenbaar is, maar het uitzicht van de villa op de heuvels is nog altijd vrij en niet bedorven.

Nog een paar weken en Zafar wordt eenentwintig. Vandaag ga ik met hem naar Solan en daarmee is de cirkel rond. Zo word ik ook ontlast van een verantwoordelijkheid die ik lang heb gevoeld voor de nagedachtenis van mijn vader, die overleed in 1987. Kijk, Abba, ik heb ons huis weer terug. Vier generaties van onze familie, levend en dood, kunnen hier nu samenkomen. Eens zal dit van Zafar en zijn broertje Milan zijn. Voor een familie zo ontworteld en verstrooid als de onze, hebben deze paar vierkante meters continuïteit een heel grote betekenis.

Om in Solan te komen neem je drie uur in een luchtgekoelde 'chair car' de Shatabdi-expres van New Delhi naar Chandigarh, de stad van Le Corbusier en de gedeelde hoofdstad van Punjab en Haryana. Daarna rijd je anderhalf uur de heuvels in. Dat doe je tenminste als je iemand anders bent dan ik. De politie wil niet dat ik de trein neem. 'Meneer, dan bent u te herkenbaar.' Het zit hun niet lekker dat de bedrijfsleider van het hotel in Jaipur aan Reuters heeft doorgebriefd dat ik daar ben geweest. Vijay heeft het verhaal van Reuters voorlopig nog even tegen kunnen houden, maar het schild van onzichtbaarheid wordt nogal dun. In Solan, daar legt zelfs de politie zich bij neer, dat zeggen ze tenminste, zal er geen houden meer aan zijn. Dat ik daar heen ga, verwacht iedereen. Eergisteren heeft de Indiase staats-tv-zender Doordarshan een ploeg naar Villa Anis gestuurd om rond te neuzen en huismeester Govind Ram uit te horen, maar die heeft zich edelmoedig van de domme gehouden. Maar zodra ik er daadwerkelijk ben, wordt dat natuurlijk bekend.

Een nogal vervelende ontwikkeling: de politiebonzen die om de vijf minuten het hoofd van mijn lijfwacht Akshi Kumar

bellen om te vragen hoe het gaat, hebben het idee opgevat dat het lek in Jaipur bij Vijay en mijzelf heeft gezeten. Die kiem van argwaan zal binnen de kortste keren tot volle wasdom komen.

Zafar voelt zich alweer beter maar een autorit van zeven uur wil ik hem nog niet aandoen. Ik zet hem op de trein, de geluksvogel. Dan tref ik hem weer op het station van Chandigarh, met mijn onopvallende colonne van vier zwarte vierdeurs wagens.

Ik pik Zafar op in Chandigarh en als we de heuvels in rijden gaat mijn hart open. Voor mij is dit tot zover het emotionele hoogtepunt van de reis en ik kan zien dat ook Zafar ontroerd is. We eten nog wat bij een dhaba niet ver van Solan en de eigenaar zegt blij te zijn dat ik hier ben, en er komt iemand anders voor een handtekening aangerend. Ik trek me niets aan van de ongeruste blik op het gezicht van Akshi Kumar.

Ook al ben ik hier zelden in mijn leven geweest en helemaal niet meer sinds mijn twaalfde, toch voel ik me of ik thuis ben.

Het is donker als we bij de villa aankomen. Vanaf de weg is het 122 treden naar beneden. Onderaan is een poortje en Vijay, ook in een juichstemming, heet mij officieel welkom in het huis dat hij voor mijn familie heeft terugveroverd. Huismeester Govind Ram komt aangerend en tot verbazing van Zafar bukt hij en raakt onze voeten aan. Ik ben geen bijgelovig mens maar ik voel de aanwezigheid van mijn opa die al dood was voor ik werd geboren, en van mijn ouders toen ze jonger waren. De lucht is een vuur van sterren. Ik ga de achtertuin in. Ik heb behoefte om alleen te zijn.

Donderdag 13 april

Ik word al om vijf uur wakker van de versterkte muziek met gezang uit een man dir, een hindoetempel, aan de overkant van het dal. Ik kleed me aan en loop in het vroege-ochtendlicht om het huis. Met zijn steile roze daken en hoektorentjes is het nog mooi er dan het me bijstond, mooier nog dan het leek op de foto's van Vijay, en het uitzicht is zoals beloofd adembenemend. Het is een raar gevoel om door een huis te lopen dat je niet kent maar dat ergens toch van jou is. We hebben even nodig om te vergroeien, het huis en ik, maar als de anderen wakker worden heb ik het me toegeëigend.

Het grootste deel van de dag scharrelen we rond bij het huis en zitten in de tuin in de schaduw van grote oude coniferen, waar we de speciale eieren van Vijay eten. Nu weet ik dat de reis de moeite waard geweest is: dat zie ik aan de blik op het gezicht van Zafar.

Aan mijn gedaanteverwisseling van waarnemer naar waargenomene, van de Salman die ik ken naar de 'Rushdie' die ik dikwijls amper meer herken, komt maar geen einde. Overal gaan geruchten dat ik in India ben. Ik zit diep in de put als ik hoor dat een paar islamitische organisaties hebben gezworen stampei te maken, en stampei is nieuws, en dat zal dan dus wel worden gezien als de bedoeling van mijn reis naar India, wat heel, heel jammer en treurig zou zijn.

Onder het eten in restaurant Himani in Solan doe ik me te goed aan de hete Indiase versie van Chinees als ik word aangesproken door een verslaggever van Doordarshan genaamd Agnihotri, die hier puur toevallig met zijn gezin op vakantie is. En ja, hoor: hij slaat zijn slag en het nieuws ligt op straat. In een mum van tijd is er een journalist van de plaatselijke pers die mij wat vriendelijke vragen stelt. Erg onverwacht is het allemaal niet, maar door deze toevallige ontmoetingen bereikt de schichtigheid van de politie nieuwe hoogten en loopt uit op een heuse ruzie.

Terug in Villa Anis krijgt Vijay op zijn mobiel een telefoontje van een politieagent uit Delhi genaamd Kulbir Krishan. Krishan zit ergens midden in de onzicht bare commandoketen van pennenlikkers in Delhi, maar hij zegt iets waardoor Vijay voor het eerst in al de jaren van onze vriendschap zijn zelfbeheersing kwijtraakt. Hij trilt bijna als hij me vertelt: 'Ze beweren dat wij die journalisten zelf naar dat restaurant geroepen hebben. Die man zegt dat wij ons niet als heren hebben gedragen, we hebben geen woord gehouden, en we hebben, schrik niet, 'voor onze beurt gepraat.' Ten slotte zegt die vent: 'Morgen krijgen we in Delhi rellen, en als wij het vuur openen en er vallen doden, hebben jullie het bloed op je geweten.'

Ik schrik me kapot. Het is me algauw duidelijk dat er twee kwesties spelen. De eerste en onbelangrijkste is dat we ons eerst een week allerlei beperkingen en veiligheidscondities hebben laten welgevallen en nu van oneerlijkheid en kwade trouw worden beschuldigd. Dat is beledigend en niet terecht, maar in laatste instantie niet gevaarlijk. De tweede kwestie is een zaak van leven en dood. Als de politie van Delhi zo schietgraag is geworden dat agenten zich opmaken om mensen dood te schieten, dan moet hun voor het te laat is een halt worden toegeroepen.

Tijd dus voor de botte bijl. Zafar kijkt verdwaasd toe als ik van leer trek tegen de arme fatsoenlijke Akshi Kumar, mijn lijfwacht die er ook niets aan kan doen, en van hem eis dat Kulbir Krishan onmíddellijk terugkomt aan de telefoon en zich persoonlijk bij Vijay en mij verontschuldigt en me verzekert dat het niet de bedoeling is om morgen ook maar iemand te vermoorden. Anders zal ik de hele nacht doorrijden en bij zonsopgang in Delhi op de stoep staan bij premier Vajpayee om hem te vragen het

probleem persoonlijk op te lossen.

Na nog wat van dergelijk getier - 'Ik ga naar de Engelse Hoge Commissaris! Ik beleg een persconferentie! Ik schrijf een krantenartikel!' - belt de arme Kulbir terug en spreekt van 'misverstanden' en belooft dat schietpartijen of doden achterwege zullen blijven.

'Als ik buiten mijn boekje ben gegaan', luiden zijn gedenkwaardige laatste woorden, 'dan betreur ik dat ten zeerste.' Ik schater het uit om die onzinnige formulering en hang op. Maar ik slaap niet lekker. De betekenis van deze hele reis zal afhangen van de gang van zaken de komende twee dagen, en ook al hoop en geloof ik dat de politie overdrijft, ik ben er niet gerust op. Delhi is hun stad en daar heb ik allang geen kijk meer op.

Vrijdag 14 april

We rijden bij zonsopgang Solan uit en brengen Vijay en Zafar naar het station van Chandigarh. (Ik ga het hele eind natuurlijk weer over de weg.) Zafar komt bij van de garnalenaanval, maar Vijay ziet er gesloopt uit, kapot. Hij blijft maar zeggen dat hij nog nooit zo grof is behandeld en wil het er niet bij laten zitten. Ik kan zien dat hij zijn buik vol heeft van de politie, van al het gereis en misschien ook wel van mij. Morgenavond is dit allemaal voorbij, hou ik hem voor, en dan kun je gewoon weer advocaat zijn en hoef je geen seconde meer te denken aan Salman Rushdie en zijn sores. Met een flauw lachje stapt hij op de trein.

Het is de dag van het diner van de Commonwealth Writers' Prize, maar daar denk ik nog niet aan. De hele terugweg naar Delhi vraag ik me af wiens voorgevoel juist zal blijken: het mijne of dat van mijn beschermers. Hoe zal mijn terugkeer naar mijn vaderland aflopen: goed of slecht? Nog even en ik zal het weten.

Om halfeen heb ik een privé-onderhoud met R.S. Gupta, de speciale ondercommissaris die belast is met de veiligheid in de hele stad Delhi. Het is een kalme, krachtige man, gewend om zijn zin te krijgen. Hij schetst een donker beeld. Een moslim-politicus, Shoaib Iqbal, wil bij het vrijdagse middaggebed in de belangrijkste moskee van de stad, de Jama Masjid in Old-Delhi, steun gaan zoeken voor een betoging tegen mij en de Indiase regering, die mij het land in heeft gelaten. Het aantal gelovigen daar loopt in de zes cijfers en als de imam van de moskee de oproep tot de betoging steunt, kan de stad door de enorme aantallen wel eens volledig vastlopen. 'We zijn in onderhandeling', zegt Gupta, 'om de aantallen klein en het geheel vreedzaam te houden. Misschien lukt dat wel.'

Na een paar uur gespannen afwachting waarin ik in feite huisarrest heb ('Meneer, hier blijven, alstublieft') is er goed nieuws. Er hebben maar zo'n tweehonderd mensen meegelopen en tweehonderd betogers is in India zo goed als niets. En alles is rimpelloos verlopen. Het nachtmerrie-scenario is niet uitgekomen. 'Gelukkig hebben we het in de hand kunnen houden', zegt Gupta tegen me.

Wat is er in Delhi nu echt gebeurd vandaag? Het wereldbeeld van de beveiliging is altijd indrukwekkend en vaak overtuigend, maar is toch ook niet meer dan één versie van de waarheid. Typerend voor alle veiligheidsdiensten ter wereld is dat ze van twee walletjes proberen te eten. Als er massabetogingen waren gekomen, hadden ze gezegd: 'Zie je wel, wij maakten ons niet voor niks zo nerveus.' Maar die betogingen zijn er niet gekomen en dus krijg ik te horen: 'We hebben de narigheid kunnen voorkomen door onze vooruitziende blik en onze bekwaamheid.'

Het zou kunnen. Maar het zou ook kunnen dat het geharrewar over De duivelsverzen voor het overgrote deel van de Indiase moslims inmiddels afgedaan heeft en niemand ervoor voelde om de straat op te gaan, ondanks de inzet van de politicus en de imam (en hun beider donderpreken). O, er is een schrijver in de stad voor een diner? Hoe heet hij? Rushdie? Nou en?

Dat is in elk geval het standpunt dat vrijwel zonder uitzondering is ingenomen in de Indiase perscommentaren. De kleine betoging blijft niet onvermeld, maar er wordt ook gewezen op de persoonlijke politieke belangen van de organisatoren.

Het is een warme dag in Delhi en er staat een warme wind. Er raast een stof storm over de stad. Terwijl we allemaal het bericht laten bezinken dat de enige storm in Delhi vandaag van meteorologische oorsprong is, kunnen we eindelijk

ontspannen en toegeven dat iedereen misschien nerveuzer is geweest dan nodig was, en dat het langdurige geschil dat mij uit India heeft weggehouden nu eindelijk echt voorbij is.

Het scenario dat in de hoofden van de mensen zit,wordt herschreven. Het voorspelde einde heeft zich niet voltrokken. In plaats daarvan gebeurt er iets uitzonderlijks, wat op Zafar en mij een immense

emotionele indruk maakt, veel sterker nog dan bij de tumultueuze ontvangst van Middernachtskinderen twintig jaar geleden.

Wat volgt is geen uitbarsting van geweld, maar van vreugde.

Om kwart voor acht 's avonds arriveren Zafar en ik op de receptie van de Commonwealth Writers' Prize in hotel Oberoi en vanaf dat moment tot we uit India vertrekken, houdt het gejubel niet meer op. We worden omringd door journalisten en fotografen met hoogst onjournalistieke lachjes op het gezicht. Vrienden breken door de mediamuur om ons te omarmen. De acteur Roshan Seth, pas hersteld van ernstige hartproblemen, omhelst me en zegt: 'Moet je ons nou toch zien, we waren allebei al dood verklaard maar we zijn nog springlevend.' De vooraanstaande columniste Amita Ma lik, een vriendin van mijn familie uit de oude tijd in Bombay, ziet Zafar voor mijn lijfwacht aan maar is vlug over haar verlegenheid heen en haalt prachtige herinneringen op. Ze prijst de geestigheid van mijn va der en zijn gave om gevat te reageren, en vertelt verhalen over mijn geliefde oom Ha mied, die te jong en te lang geleden is gestorven.

Begaafde jonge schrijvers - Raj Kamal Jha, Namita Gochale, Sjaoena Singh Baldwin - komen met welwillende opmerkingen over het belang van mijn boeken voor hun eigen werk. Een van de grandes dames van de Engelstalige Indiase literatuur, de schrijfster Nayantara Sahgal, pakt mijn handen en fluistert: 'Welkom thuis.' Ik kijk om en zie dat Zafar wordt geïnterviewd voor de televisie en woorden te kort komt voor zijn eigen ontroerende blijdschap dat hij hier is. Mijn hart stroomt over.

Dit had ik echt niet durven verwachten - aangestoken door de angst van de politie had ik mijn hart tegen allerlei teleurstellingen gewapend. Stukje bij beetje voel ik nu die afweer wegvallen en komt er blijdschap op als een tropische dageraad: snel en

stralend en warm. Van die momenten zijn er maar weinig in het leven. Neem me niet kwalijk als ik hier misschien te lang op doorga. Het gebeurt zo zelden dat je hartenwens wordt vervuld.

Ergens daarbinnen gaat de Common wealth Writers' Prize naar J.M. Coetzee,

maar daar kan ik niet om malen.

De prijs is India.

Zaterdag 15 april

'Rushdie in India: als de thuiskomst van een Solzjenitsyn, maar zonder de woede of de middeleeuwse profetieën. Louter vreugde, heel veel vreugde.' Zoals blijkt uit die overdreven hartelijke kop op de voorpagina van de Indian Express slaat de geest van de receptie over naar de media en zijn de gedempt negatieve geluiden verre in de minderheid. In al mijn gesprekken met de pers heb ik geprobeerd oude wonden te ontzien en de Indiase moslims te vertellen dat ik niet hun vijand ben of dat ooit ben geweest. Ik heb beklemtoond dat ik in India ben om oude banden aan te halen en als het ware een nieuw hoofdstuk te beginnen. Vandaag sluit de Asian Age zich daarbij aan: 'Laten we een bladzij omslaan.'

Outlook stelt met genoegen vast dat India 'iets heeft goedgemaakt voor het feit dat het als eerste De duivelsverzen verbood en hem heeft blootgesteld aan de vervolging en ellende die daarop zijn gevolgd.' De Pioneer meldt voldaan dat India weer op de bres staat voor 'democratische waarden en het recht van ieder mens om zijn mening te uiten.' Op minder hoogdravende toon krijg ik ook nog het onwaarschijnlijke maar verrukkelijke verwijt dat ik 'op de receptie de beschaafde dames uit de stad als giechelende schoolmeisjes het hoofd op hol bracht'

en dat 'bij mij vergeleken die stukken uit Bollywood wel konden inpakken.'

Dilip Padgaonkar van The Times of India heeft een heel ontroerende formulering. 'Hij heeft zich verzoend met India en India met hem... er is hem iets verhevens overkomen waardoor hij ons met zijn vertellingen moet kunnen blijven betoveren. Hij is terug waar altijd zijn hart gebleven is. Hij is weer thuis.'

In de Hindustan Times staat een hoofdcommentaar onder de kop 'Herzie het verbod'. Die gedachte klinkt in alle media. De Times of India voert een islamist en nog andere intellectuelen op die voor opheffing van het verbod zijn. In peilingen door de elektronische media blijkt 75% ervoor te zijn dat De duivelsverzen in India eindelijk vrijelijk mag verschijnen.

Vijay geeft een afscheidsfeestje voor me. Zijn vrouw Rani, een autoriteit op het terrein van gevangenisstelsels en strafrechthervorming, is net op tijd terug van een congres in Wenen. En er is een verrassing: mijn twee tantes die actrice zijn, Uzra Butt en haar zuster Zohra Segal, zijn er ook, plus mijn nicht Kiran Segal, een dochter van Zohra en een van de belangrijkste exponenten en leermeesteressen van de klassieke Indiase dansschool van Odissi. Dat is de gekke tak van de familie, met de scherpe tong en de stoute ogen. Uzra en Zohra zijn de grand old ladies van het Indiase toneel en eens zijn we allemaal wel verliefd geweest op Kiran. Zohra en Kiran hebben in de jaren zestig nog een tijdje op een flat in Hampstead gewoond en toen ik op kostschool zat in Rugby, logeerde ik in de vakantie wel eens bij hen, in de logeerkamer naast de deur van Kirans kamer, waarop een grote vermanende doodskop met gekruiste botten stond. Ik hoor nu dat in diezelfde tijd Vijay Sjankardass en Roshan Seth ook in die kamer hebben gelogeerd. Alledrie hebben we smachtend naar die schedel met gekruiste botten gekeken, en geen van ons is er ooit voorbij gekomen.

'Ik heb je al jaren niet zien dansen', zeg ik tegen Kiran.

'Kom maar gauw weer', zegt ze. 'Dan zal ik voor je dansen.'

Dit is een licht bekorte versie van het verhaal dat werd gepubliceerd in de New Yorker van 19 juni.

copyright Salman Rushdie, mei 2000

copyright Nederlandse vertaling Rien Verhoef

Persoonlijke geschiedenis

...dus vlieg ik naar Delhi en niemand die het merkt.

Daar in de business class zit hij, de onzichtbare man...

...als Bombay het New York van India is, dan lijkt Delhi op Washington...

...schrijverskinderen willen hun ouders als ouders, niet als schrijvers...

...het is zinloos om uit te leggen dat ik geregeld word herkend omdat ik er nu eenmaal zo uitzie en andere mensen niet...

...nu moet ook Zafar oppassen voor uitdroging. Maar anders dan de dorpelingen die wij achterlaten, hebben wij gebotteld water in overvloed...

...ik ben geen bijgelovig mens maar ik voel de aanwezigheid van mijn opa die al dood was voor ik werd geboren...

...o, er is een schrijver in de stad voor een diner? Hoe heet hij? Rushdie? Nou en?...

...ik krijg het verrukkelijke verwijt dat 'bij mij vergeleken die stukken uit Bollywood wel konden inpakken'...