Van slaaf tot soortgenoot

Morgen wordt de 137ste verjaardag van de Emancipatie herdacht. Op 1 juli 1863 verklaarde koning Willem III de slaven in Nederlands `West-Indië' vrij. Lang werden de akelige voorgeschiedenis en de roemloze en late afschaffing genegeerd. Vooral door de lobby van Surinaamse en Antilliaanse nazaten van de Afrikanen die ooit met geweld naar de Nederlandse koloniën werden gebracht kwam daarin verandering. En zo beloofde het kabinet een jaar geleden een passend gebaar te zullen maken. Morgen zullen minister Van Boxtel en staatssecretaris Van der Ploeg in de Haagse Grote Kerk de locatie en contouren bekend maken van een monument ter nagedachtenis van slavernij en slavenhandel. Dat is de hoogste tijd.

De gedachten gaan onder meer uit naar een `dynamisch' monument, dat plaats zal bieden voor tentoonstellingen, debat, en onderzoek, ook naar de doorwerking van de slavernij. Dat laatste roept delicate vragen op over de interpretatie van dit verleden, en welke stemmen daarbij als gezaghebbend mogen gelden. Martin Luther King sprak van een `Black Holocaust' van 80 miljoen Afrikaanse slaven. Voorzichtiger schattingen en genuanceerde interpretaties roepen onvermijdelijk wantrouwen op: verdoezelt de `witte' wetenschap de feiten soms?

Illustratief waren onlangs de reacties bij het verschijnen van P.C. Emmers De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. Het boek (besproken in Boeken, 21 april) biedt een deskundige en toegankelijke samenvatting van de stand van zaken in het internationale onderzoek naar de transatlantische slavernij en de Nederlandse rol daarin. Aangespoord door zijn uitgever voegde de Leidse historicus enkele verhandelingen toe waarin hij ook de morele kant van de zaken toelichtte. Slavenhandel en slavernij, betoogde hij, waren natuurlijk verschrikkelijk. Maar laten we niet vergeten dat in de wereldgeschiedenis slavernij eerder norm dan uitzondering is geweest, dat ook Afrika slavernij kende, dat bovendien juist Afrikaanse handelaren cruciaal waren voor de aanbodzijde van de levende koopwaar en zich daar als volleerde kapitalisten graag voor leenden, en dat ten slotte de gevolgen van dit alles voor Afrika, economisch, demografisch en politiek, beperkt zijn geweest.

Een `nuchtere analyse', meende Emmer. Hij heeft het geweten. De ruime aandacht die de media aan het behendig `in de markt gezette' boek wijdden, draaide vooral om de vraag hoe erg `wij' waren geweest, of Nederland herstelbetalingen moest overwegen, of Emmer het lijden van de slaven bagatelliseerde, etcetera. Vragen, kortom, van morele en politieke aard.

Iets anders was niet te verwachten geweest. Slavenhandel is geen houthandel; wie over dit onderwerp schrijft heeft te rekenen met een lezerspubliek dat om oordelen vraagt, en waarvan althans een deel een direct verband legt tussen de kleur en positie van de auteur en diens conclusies. Bovendien heeft het onderwerp in Nederland de laatste jaren wel discussie opgeroepen, maar kennis van de relevante literatuur is buitengewoon beperkt. Het standaardwerk The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 1600-1815 werd al in 1990 gepubliceerd door Johannes Postma, een Amerikaan van Nederlandse afkomst. Aan deze indertijd nauwelijks opgemerkte, monumentale studie voegt Emmer cijfermatig vrijwel niets toe. Nuttig is vooral dat hij de internationale wetenschappelijke debatten verweeft in zijn beschrijving van de Nederlandse betrokkenheid.

Dat internationale debat, in Nederland vrijwel door niemand gevolgd, heeft inmiddels een imponerend niveau bereikt. De auteurs van de drie boeken die hier de revue passeren, behoren tot de voornamelijk Angelsaksische top van historici die zich met de Atlantische slavenhandel en slavernij bezighouden. Emmer putte in zijn boek in ruime mate uit hun werk. Kleins The Atlantic Slave Trade is een voorbeeldige inleiding in de economische geschiedenis van de Atlantische slavenhandel, inclusief de aanbodzijde in Afrika en de vraagzijde die werd gedomineerd door de slavenplantages in de Nieuwe Wereld. Zijn synthese is gebaseerd op vrijwel alle relevante studies en loopt van de vijftiende-eeuwse Portugese start tot de laatste afschaffing van de slavernij, in de voormalige Portugese kolonie Brazilië (1888). In wetenschappelijke kring, laat Klein zien, bestaat een vrij grote consensus over de omvang van de slavenhandel (ca. 10 miljoen Afrikanen); het Nederlandse aandeel wordt geschat op vijf procent. Bij Klein zijn voorts de meest recente cijfers te vinden over de regio's waar de Afrikanen werden weggehaald, over de mortaliteit op de slavenschepen en over de winstgevendheid van de handel.

Net als Klein betoogt Eltis, in The Rise of African Slavery, dat de slavenhandel weliswaar door de Europese vraag een enorme impuls kreeg, maar niet nieuw was op het continent. De omvang van de slavenhandel door de Sahara is van vergelijkbare grootte geweest als die over de Atlantische Oceaan, maar besloeg een langere tijdsspanne en diende geen plantagesector. Korte metten maken Eltis en Klein met de visie dat heel Afrika slachtoffer was en het continent in verval raakte door de slavenhandel. Afrikaanse handelselites profiteerden gretig en ruimschoots van de mensenhandel. Daarnaast bestrijdt Klein dat de demografische, economische of politieke impact op Afrika erg groot was, al was het maar omdat de mensenroof over zo'n lange periode was uitgesmeerd.

De imponerende studie van Eltis draait uiteindelijk om de paradox dat Europa, dat nu juist als enige deel van de wereld de slavernij in eigen kring had afgeschaft, deze arbeidsvorm elders in extreme mate invoerde. Dit is slechts te verklaren doordat Europa een definitie van `insiders' en `outsiders' had ontwikkeld die nergens elders werd aangehangen. Aziaten, Afrikanen en Indianen konden hun eigen `soortgenoten' tot slaaf maken, net als vroeger Europeanen onderling hadden gedaan. Nu die Europeanen zelf hierover nieuwe ideeën hadden ontwikkeld, konden zij slechts buitenstaanders tot slaven maken; duurder dan de eigen Europeanen, maar moreel meer aanvaardbaar. (Daar is een woord voor: racisme.) Dat de keuze vervolgens op Afrikanen viel, had alles te maken met de aanbodzijde, waar lokale Afrikaanse handelselites er geen been in zagen zich met mensenhandel te verrijken. De vraag waarom zij `landgenoten' verkochten is een anachronisme: Afrika was etnisch en politiek aanmerkelijk heterogener dan het toenmalige Europa. Er was weinig aanleiding voor de handelselites aan de kust om in de slavenkaravaans uit de binnenlanden `landgenoten' te ontdekken.

Eltis benadrukt de culturele context waarin de Europeanen, met hun `excessieve gerichtheid op materieel gewin', hun noties van vrijheid en gelijkheid voor zichzelf reserveerden en alle ruimte behielden om niet-blanke buitenstaanders tot slaaf te maken. Dubbel wrang is dat Europese vrouwen ongeschikt werden geacht voor zwaar werk, terwijl Afrikaanse slavinnen op de plantages zeer zware veldarbeid moesten verrichten.

Eltis' nadruk op deze paradoxale, of hypocriete, mentaliteit brengt hem dicht bij de analyses waarin Drescher reeds lang uitblinkt. In From Slavery to Freedom bracht Drescher eerder verschenen artikelen bijeen die voor een deel dezelfde paradox aan de orde stellen, maar nu gericht op de afschaffing van slavenhandel en slavernij. Waarom afschaffing van een systeem dat economisch prima werkte? Drescher verklaart dit uit een groeiend bewustzijn, voornamelijk in de Angelsaksische wereld, van de immoraliteit van slavernij, ook voor Afrikanen. In Eltis' terminologie waren die eindelijk ook van buitenstaanders tot soortgenoten gepromoveerd. Drescher had dit al eerder geconcludeerd. Hij typeerde de Britse beweging tot de afschaffing van de slavernij als `een van de meest succesvolle mensenrechtenbewegingen in deeschiedenis'. Uit From Slavery to Freedom blijkt weer dat de andere Europese betrokkenen, ook Nederland, passief en onaangedaan toekeken.

Wanneer Antillianen en Surinamers onderzoek naar dit verleden bepleiten en eisen dat schoolboekjes en tentoonstellingen het grote kwaad van slavernij voor het voetlicht brengen, hebben zij in de regel niet het soort studies voor ogen dat hier de revue passeerde. En inderdaad moeten ook andere vragen in het publieke en wetenschappelijke debat gesteld worden. Cruciale vragen over de effecten van slavernij op de aard van raciale relaties na de afschaffing van de slavernij, over de ontwikkeling van een Afro-Amerikaanse cultuur, over de hedendaagse gevolgen op de mentaliteit en sociale positie van de nazaten van de slaven, enzovoorts. Nu zich echter eindelijk in Nederland een voorzichtig debat aftekent over dit verleden en de doorwerking ervan, kunnen de deelnemers er niet omheen óók het werk van wetenschappers als Drescher, Eltis en Klein te overwegen. Ook daar moet een `dynamisch monument' toe dienen.

Seymour Drescher: From Slavery to Freedom. Comparative Studies on the Rise and Fall of Atlantic Slavery. Macmillan, 454 blz. ƒ130,–

David Eltis: The Rise of African Slavery in the Americas. Cambridge University Press, 353 blz. ƒ58,75 (pbk)

Herbert S. Klein; The Atlantic Slave Trade. Cambridge University Press, 234 blz. ƒ46,15 (pbk)