Leve het straatvoetbal!

Een naam uit een sprookje. Zo probeerde ik drie jaar geleden mijn bewondering voor het voetballende wonderkind Zinedine Yazid Zidane onder woorden te brengen. Het was na zijn demonstratie in de Amsterdam Arena. Bijna in zijn eentje vernederde hij met tien andere spelers van Juventus het Ajax-elftal van trainer Van Gaal, zoals een Ajax-elftal nog nooit was vernederd. Zinedine Zidane liet op die avond voetbal uit de erehemel zien. Alleen Van Gaal was niet onder de indruk, maar die is alleen onder de indruk van zichzelf.

Van Zidane was al jaren bekend dat hij meer met een bal kon dan een gewone sterveling. Eerst bij Cannes, toen bij Bordeaux. De Franse media bewierookten week in en week uit de trap-, pass- en passeertechniek van Zidane, die zelfs die van zijn illustere voorganger Michel Platini overtrof. Toen ik eens aan Ajax-penningmeester Van Os vroeg of Zidane een aantrekkelijke speler was voor Ajax, dat zojuist de Europese top had bereikt, zei Van Os dat hij Zidane niet kende. Mocht hij een goede speler zijn, dan zou het wereldwijde scoutings-apparaat hem zonder twijfel al hebben benaderd. Deze arrogantie overtuigde mij er voorgoed van hoe lachwekkend zelfingenomen Ajax was; en nog is?

Nee, Ajax was bezig met Peter Dubovsky, een Slowaak die uiteindelijk tot verbazing van Van Os voor het grote geld van Real Madrid koos. Daarna werd niets van Dubovsky vernomen. Totdat vorige week bekend werd dat hij na een duik van een rots in Thailand de dood had gevonden. Ajax had deze gewone Slowaak destijds heel graag willen hebben. Een onbegrijpelijke wens van een `grote club', terwijl er zoveel betere voetballers rondliepen. Bijvoorbeeld Zidane, toen nog goedkoop ondanks zijn al geroemde talenten.

In Marseille, met name in de Noord-Afrikaanse wijk La Castellane, wisten ze al jaren wie Yaz of Zizou was. Temidden van zijn Algerijnse vriendjes demonstreerde Zidane al vanaf zijn kleutertijd zijn kunsten. Bij de kleine volksclub noemde zijn trainer hem Zizou, omdat hij altijd met de bal zigzaggend langs de tegenstanders liep. Zidane was een fan van Enzo Francescoli, de Uruguayaan van Olympique Marseille naar wie Zinedine en zijn Spaanse vrouw hun oudste zoontje noemden. Vreemd is dat hij nooit bij zijn favoriete club in Marseille speelde. Net als Ajax later zag L'OM het grote talent – nota bene uit eigen stad – over het hoofd. Nog altijd is het kleine Algerijnse gezin Zidane supporter van Olympique, net als nog steeds Zinedine.

Zinedine Zidane, afgelopen vrijdag werd hij 28 jaar, is het niveau van Olympique – en van Ajax – allang ontstegen. Hij is nu de maestro van Juventus, waarmee hij Europees kampioen werd, en de regisseur van het Franse elftal, waarmee hij wereldkampioen werd. Hij was al de Europees voetballer van het jaar en zal dat mogelijk nog eens worden. Wie zo bijzonder met een bal kan omgaan, zonder een circusvoetballer te zijn, wie zo met een bal kan draaien, dribbelen, schuiven en schieten, verdient voortdurend geprezen te worden.

Zidane is het rolmodel van de Algerijnse jeugd in Marseille, hij is het rolmodel van alle buitenlandse jongens in de grootstedelijke banlieues en voor alle straatvoetballers in de hele wereld. Ook voor de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse jongens in Nederland. Zoals Zinedine Zidane voetbalt, zo dient het voetbal gespeeld te worden. Weg met de systemen, weg met de jeugdopleidingen die jongens solisme verbieden. Leve het straat- en pleintjesvoetbal. Voetbal met de Zidanes biedt troost in dit grauwe leven. Zinedine Zidane is geen man uit een sprookje, hij bestaat echt. Dat geeft hoopt.