Van nature ben ik ambitieus

Afgelopen woensdag kreeg André Verbart

de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut. Zijn bundel `98' vertelt over een moeilijke periode uit het leven van de dichter.

Verbluffend ongewoon, verbluffend vanzelfsprekend, een taalbeweging van 1200 regels, een tekst die zich wil laten horen. Zo karakteriseerde de jury van de C.Buddingh'-prijs afgelopen woensdagavond de debuutbundel 98 van winnaar André Verbart. Een groter compliment kun je niet krijgen, lijkt het. De tengere Zeeuw hoorde het oordeel van jury-voorzitter D. van Halsema onbewogen aan, want hij wist al dat hij zou gaan winnen – de organisatie had hem van tevoren telefonisch op de hoogte gesteld. Verbarts overwinningsroes was dan ook niet uitbundig. Hij leek het eerder vanzelfsprekend te vinden dat zijn bundel werd uitverkoren. Na overhandiging van de prijs – een cheque van 2500 gulden en een `kostbare' vulpen – nam hij gretig van de gelegenheid gebruik om nog een keer voor te lezen.

,,Toen ze me belden, dacht ik meteen al dat ik gewonnen had'', zegt Verbart (1960) even later op een toon, die niets met hoogmoed van doen heeft. Na een tocht door een labyrint van gangen in de Rotterdamse Schouwburg zijn we beland in een kleedkamer, waar de jubelkoren van de voetbalsupporters op straat niet kunnen doordringen. Het toneelspel van de prijsuitreiking is achter de rug. De maskers mogen af.

Verbarts winnende bundel 98 verhaalt in `blank verse' over een ingrijpende episode uit de studiejaren van een jongeman, in wie je onmiddellijk de dichter zelf herkent. Een ambitieuze, gesloten jongen uit de provincie trekt naar de grote stad, gaat er studeren, wordt hopeloos verliefd op een meisje dat hem niet ziet staan, hij slaat op tilt en belandt in een psychiatrische inrichting. Het klinkt allemaal vrij overzichtelijk, maar Verbart vertelt het op een wel heel eigen manier, die soms iets wegheeft van de aanstormende waanzin uit Schuberts Winterreise. Alles wordt erbij gesleept: een fietstocht naar Durgerdam, de studentenflat, voetballen met een paar echte Amsterdammers, de wereldliteratuur als tijdmachine, Tolstoj, Dr. Strangelove, Dido en Aeneas. Het resultaat is een doolhof van emoties, waar je soms hartelijk om moet lachen, maar meestal somber van wordt.

In zijn vorm doet het gedicht denken aan het werk van Engelse verhalende dichters als Shakespeare, Milton, Spenser en Wordsworth. Dat is niet zo vreemd, als je bedenkt dat de anglist Verbart in 1995 gepromoveerd is op het begrip `fellowship' in Miltons Paradise Lost.

Sinterklaas

,,Ik kom uit een gezin waar iedereen echt van taal houdt'', zegt de dichter die in het dagelijks leven op de catalogusafdeling van de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam werkt. ,,Het is misschien een onbenullig iets om te noemen, maar met Sinterklaas maken andere mensen surprises voor elkaar en bij ons waren het allemaal gedichten en probeersels en extreme dingen. Later ben ik Engels gaan studeren, en zoals een heleboel mensen doe je dat met in je achterhoofd de gedachte dat je ook wilt schrijven. De Engelse literatuur is bijzonder rijk, vergeleken bij de Nederlandse, dat is een groot verschil, vooral bij de wat oudere poëzie.

,,Ik ben van nature heel ambitieus. Wat dat betreft had ik grote plannen. Ik wilde erg goed worden op mijn vakgebied, maar ik dacht eerder aan het schrijverschap dan aan een universitaire functie. Het was echt eisen aan jezelf stellen. In zekere zin was het ook onpraktisch en niet carrièregericht, zoals al die studentjes tegenwoordig zijn. Nee, ik wilde mezelf gewoon ontplooien.''

De studie schonk Verbart weinig bevrediging. Aan de universiteit werd hij op intellectueel gebied vrijwel niet gestimuleerd. ,,Ik ben me op poëzie gaan storten toen ik tijdens mijn studie merkte dat ik er niet genoeg vat op kreeg. Ik heb mijn eigen leesprogramma ontwikkeld om er echt in te kunnen duiken. Een dichter die ik daarvoor gebruikt heb is Edmund Spenser, een tijdgenoot van Shakespeare. Hij is echt een heel groot verhalend dichter, die allerlei verhaallijnen gebruikt. Vanuit Spenser ben ik allerlei andere dichters gaan ontdekken, Milton bijvoorbeeld, maar ook iemand als Vergilius.''

Verbart is geen dichter uit roeping. Hij is er eerder toe gekomen door zijn latere ervaringen in het harde leven en in de wetenschap. ,,Ik probeerde om zelf dingen te schrijven en te zien wat het uitmaakt als je woorden op een andere manier over de regels verspreidt. Puur onderzoekend om poëzie te leren lezen. Op het moment dat verliefdheid daarbij komt, wordt dat het onderwerp en wil je al die gevoelens daarin kwijt.''

Verbart komt uit het dorp 's-Heerenhoek op Zuid-Beveland. Een broer en een zuster publiceren ook poëzie. Een andere broer schrijft een kinderboek. Zelf was hij lange tijd een zondagskind: het slimste jongetje van de klas, dat zowel een ster was in exacte vakken als in talen en dat ook nog eens goed kon voetballen. Totdat de waanzin toesloeg en aan alles een eind leek te komen. En toen het misging, kon ook het dorp van herkomst hem geen troost bieden. 's-Heerenhoek bleek zijn eigen Paradise Lost te zijn.

Voetbal

Verbart: ,,Kenmerkend voor ons gezin is het voetbal. We zaten met een paar broers in het eerste elftal. Op een gegeven moment is dat een probleem als je in Amsterdam gaat studeren. Toch heb ik nog een paar jaar in het dorp gevoetbald. Daarna ben ik in Amsterdam gaan voetballen, wat betekent dat je daar ook de weekeinden bent, dat je echt probeert een Amsterdammer te worden. Dat was dezelfde tijd dat het slecht met me ging, onder andere door die verliefdheid. En toen ben ik teruggegaan, ook omdat ik wat voetbal betreft iets miste. En dat was verkeerd. Je vindt niet meer wat je verlaten hebt. Teruggaan is een gevaarlijke bezigheid.''

Zeeland speelt in meerdere opzichten een rol in 98. En dan vooral de Zeeuwse spreektaal, die Verbart aanknopingspunten verschaft voor variaties op het Nederlands. ,,Ik heb heel veel commentaar gehad op de spelling'', zegt hij. ,,Maar in feite heeft het heel veel te maken met de manier waarop mensen spreken. Als je dat op zou nemen dan zou dat soms gewoon meer lijken op wat ik schrijf dan wat er normaal geschreven wordt. Je verbindt dingen aan elkaar wanneer je spreekt. Ik geef spreektaal weer, maar het is zo vreemd om dat zwart op wit te zien. In wezen is het spraakgebonden. Het Zeeuws speelt daarbij een rol.

,,In het eerste gedicht dat ik schreef, zit Amsterdams en Zeeuws.'' Hij pakt zijn bundel en bladert, op zoek naar een voorbeeld. Hij leest voor, met een kwetsbare stem. ,,`Kwalijk word ik helaas niet van je/ meisje, mis je niet eens niet, al is/ de berekening fefeitelijk / nog niet vereffenoft, begrijp je wel?' Vereffenoft komt van effenof in het Zeeuws, maar meisje is in het Zeeuws mis je. Een Zeeuw zal altijd zeggen `dat doek' voor `dat doe ik'; een Amsterdammer zegt dat doen ik.''

In 1984 ging het faliekant mis. De ambitieuze student, die zich op de universiteit niet meer thuisvoelde, werd hopeloos verliefd op een meisje, dat hij voor het eerst zag toen hij met vrienden aan het biljarten was. Maar ze wilde niets met hem te maken hebben, zoals hij in 98 beschrijft: `van haar kant briefje voor mij persoonlijk/ opt bellenbord geplakt, met als strekking:/ Ik ben van jouw avances niet gediend,/ laat me met rust, val me niet langer lastig!'

Verbart: ,,Ik ben altijd heel moeizaam in dat soort dingen geweest. Ik ben een echte Zeeuw met een stugge volksaard van gevoelens onderdrukken. In Amsterdam zijn ze heel anders. Ik heb wel eens met Amsterdammers gevoetbald. Alleen het verschil tussen een kleedkamer in Amsterdam en een in 's-Heerenhoek is al zo groot. Die Amsterdammers zijn ontzettend lawaaiig en gemoedelijk. Ze zijn open en emotioneel.''

Verbart raakte in een psychose en begon te hallucineren. Hij werd platgespoten en gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij een jaar verbleef. ,,Mensen die mij van een latere tijd kennen kunnen zich dat niet voorstellen'', zegt hij nuchter. ,,Het was een geweldige knak voor mijn ego, dat toch al niet zo gestreeld was omdat ik zo verliefd was en daar niets mee kon. Ik had een te lage dunk van mezelf.''

Toen hij weer terugkeerde in het gewone leven, besloot hij dat het allemaal anders moest en ging een boek schrijven. Het was een verlangen dat sinds zijn jeugd al in zijn hoofd had rondgespookt, al was hij aanvankelijk doodsbang voor zijn gevoelens. Verbart: ,,Ik vond mezelf wel een gevoelig mens en daar was ik gealarmeerd door. Hoeveel muziek met je kan doen, dat is gewoon eng. Omdat ik literatuur heb gestudeerd heb ik die emoties niet genegeerd, als ik dat wel had willen doen was ik wiskunde gaan studeren. Als je literatuur studeert studeer je ook psychologie.

,,Ik dacht, ik moet een keer een boek schrijven want ook literair heb ik dingen die ik kwijt wil en je kunt het wel blijven uitstellen. Toen bedacht ik dat juist dat gevoelige onderwerp heel geschikt was. Op het moment dat ik dat besliste, heb ik ook álles beslist: wat het begin was, wat het einde, dat het nadrukkelijk autobiografisch werd, voor wie ik het wilde schrijven.''

Verbart vindt het ergens nog steeds gênant dat hij over zichzelf heeft geschreven. Hij is er bijna tegen, al is er nu geen weg terug meer. In 98 wordt de lezer echter gewaarschuwd voor wat hem te wachten staat: `Maar sta mij toe dat ik als uitgangspunt/ omwille vant natuurlijke verband/ mezelf neem; wil je dus sensatie, zet/ dan beter een detective op je buren/ hier zijn gewone dingen raar genoeg/ interessant, hier waarlijk van belang.'

Verbart: ,,Je kunt bijna zeggen dat mensen teveel over zichzelf schrijven. Ook al kan ik dat zelf nu eigenlijk niet meer zeggen. En toch is het bijna principieel verkeerd. Het werkt niet goed. Het is beter als je gêne voelt – schaamte speelt een grote rol. Als je alleen maar voor de goede verstaander intieme dingen wilt zeggen komt dat veel sterker over dan dat je zomaar tegen iedereen aankletst en al je hartsproblemen er tegenaan gooit.

,,Ik kan niet nog een ander boekje op deze manier schrijven. Het gaat over een unieke periode in mijn leven. Het is totaal anders dan mensen die op grond van een ingeving een gedicht schrijven en op grond van een andere ingeving een ander gedicht.''

André Verbart: 98. Uitg. Querido,

56 blz. Prijs ƒ29,95