De lange weg van een `auteurswet'

Producenten en uitvoerend kunstenaars hebben lang moeten wachten op een wet die hun belangen beschermde. Nederland wachtte lang met het ratificeren van een internationaal verdrag.

Tekstdichters en componisten worden sinds 1912 beschermd door het auteursrecht. Hun belangen worden behartigd door de in Amstelveen gevestigde Buma. Producenten en uitvoerende kunstenaars hebben in Nederland tot 1 juli 1993 op een vergelijkbare bescherming moeten wachten. Hun belangen, in zowel binnen- als buitenland worden behartigd door de Stichting ter Exploitatie van Naburige Rechten (Sena).

Daar is een lange geschiedenis aan vooraf gegaan. Zo werd in 1886 in het Zwitserse Bern een internationaal verdrag gesloten – de Berner Conventie – dat de rechten van auteurs van letterkunde en kunst beschermt. Op dat verdrag is de Nederlandse Auteurswet gebaseerd, die in 1912 van kracht werd. De Auteurswet geeft een auteur het uitsluitende recht op openbaarmaking en verveelvoudiging van zijn werk. Voor muziek betekende deze wet dat tekstdichter en componist een vergoeding kregen als hun werk ten gehore werd gebracht, maar al in de jaren twintig werd het onrechtvaardig gevonden dat uitvoerende artiesten en producenten buiten de werking van die wet vielen. Als tien uitvoerende kunstenaars immers dezelfde bladmuziek voorgeschoteld krijgen, een identieke partituur of een vast thema, dan zullen er tien verschillende uitvoeringen ontstaan, zo was en is de filosofie. Alle uitvoeringen zijn gebaseerd op één origineel en toch zijn ze allemaal verschillend. Dat komt doordat het maken van muziek een optelsom is van de talenten van verschillende partijen. Van tekstdichters en componisten, van producenten en muzikanten. Iedereen die een inbreng levert heeft dus recht op revenuen van die inbreng. De producent op zijn beurt – niet te verwarren met de fabrikant van platen of cd's bijvoorbeeld – heeft ook recht op bescherming omdat hij belangrijke voorwaarden schept. Hij neemt de organisatie van de uitvoering op zich en draagt de financiële verantwoordelijkheid.

Dat inzicht heeft in 1961 geleid tot de Conventie van Rome, onder auspiciën van de World Intellectual Property Organisation (Wipo), een VN-organisatie. Het verdrag moet wereldwijd voorzien in de wettelijke bescherming van producenten van `fonogrammen', uitvoerend kunstenaars en omroeporganisaties. Het gaat om wat `naburige rechten' worden genoemd, verwant aan het auteursrecht.

Nederland is bepaald niet het vlotst geweest in het ratificeren van het verdrag en heeft vooral de trend van de Europese wetgeving gevolgd. Het wetsvoorstel dat de naburige rechten regelt ging uiteindelijk pas in augustus 1989 naar de Tweede Kamer en passeerde in maart 1993 de Eerste Kamer. De `vergeten' groep van artiesten en producenten kreeg eindelijk waar zij recht op heeft.

De Wet naburige rechten beschermt dus de belangen van producenten en uitvoerenden. Als een uitvoering wordt opgenomen, voor commerciële doeleinden op een geluidsdrager – zoals een cd of een musicassette – wordt vastgelegd en aan de consument te koop aangeboden, wordt gesproken van het `eerste gebruik'. Wordt die geluidsdrager in een publieke ruimte of op radio of televisie afgespeeld dat is sprake van een `tweede gebruik'. De Wet naburige rechten geeft uitvoerenden het exclusieve recht om hun uitvoering te laten opnemen. Producenten en uitvoerenden hebben vervolgens als enigen het recht die opname te reproduceren, te verkopen, in omloop te brengen, uit te zenden of op een andere manier `openbaar te maken'. Wordt een commerciële geluidsdrager door een derde openbaar gemaakt, dan moet daarvoor een vergoeding worden betaald. De minister van Justitie heeft de Stichting ter exploitatie van naburige rechten (Sena) aangewezen om het geld voor die vergoedingen te incasseren en te `reparteren' aan producenten en artiesten.