Dansen bij Pschorr

Het was een begrip: Pschorr – de moderne dancing van Dirk Reese aan het begin van de Coolsingel in de jaren dertig, bekend en bewonderd om zijn glazen dansvloer die naar men zei het nieuwste van het nieuwste was, waarbij ik me als vijftienjarige geen andere voorstelling kon maken dan dat hij onder het gewicht van zoveel mensen wel moest barsten of breken, zodat zij tot hun enkels tussen de scherven zouden komen te staan. Dit beeld werd echter geenszins bewaarheid, en Rotterdam was en bleef trots op zijn primeur, die zelfs uniek in Europa heette te zijn.

Orkesten als die van Louis Armstrong en Jack Hylton, en de Ramblers van Theo Uden Masman, traden er op, en ik herinner me dat zowel Mistinguett en Josephine Baker als Lys Gauty en Lucienne Boyer er in levenden lijve waren te aanschouwen. Theo Moens zwaaide er als conferencier de scepter, organiseerde er nachtfeesten en zong er zijn favoriete Franse chansons, manipulerend met zijn strohoed op de wijze van Maurice Chevalier.

Toen ik zestien jaar oud was, betrad ik op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina, voor het eerst het veelbesproken etablissement, waar mijn begeleider, een jongeman van al bijna twintig die ik pas kende, al menige voetstap had liggen. Gezien zijn serieuze bedoelingen had ik ter kennismaking bij zijn ouders gegeten, die hem vanwege de feestelijkheden in de stad een rijksdaalder hadden toegestopt, precies het bedrag dat de toegang voor twee personen tot een dure gelegenheid als Pschorr kostte, de garderobe en de verplichte consumptie niet meegerekend.

Met hooggespannen verwachtingen passeerde ik de portier en de bejaarde dame achter de kassa in de hal, en toen we via een gecapitonneerde deur in de getemperd verlichte zaal kwamen en de klaaglijke en uitbundige uithalen van saxofoons ons overspoelden, had ik de opwindende gewaarwording dat ik een zekere graad van volwassenheid had bereikt en er van nu af aan bij hoorde. Het was er vol en druk, en we moesten de trap naar het balkon nemen om een tafeltje te vinden, dat het voordeel had dat het ons een onbelemmerd uitzicht bood op de hoofden van de danslustigen en het lage podium met het orkest.

Nadat het onvermijdelijke goedkope kogelflesje was besteld, konden we afdalen naar de dansvloer, die fascinerend in rood en blauw oplichtte en onwezenlijk aanvoelde onder je voeten, alsof je over het glas van een reusachtig ondergronds aquarium zweefde, waarin tropische vissen en waterplanten schemerden.

Voortaan ging ik met de jongeman, die nog steeds serieuze plannen koesterde, iedere zondagmiddag van zijn opgespaarde zakgeld in Pschorr dansen, tot het reisbureau waar hij een bescheiden betrekking had – de werkloosheid was in 1932 op haar dieptepunt – hem ontsloeg. Daar hij echter kort daarop het geluk had, als je het zo kon noemen, een veelbelovende baan `met vooruitzichten' in Indië te krijgen, verloofden we ons in allerijl en stemde ik er roekeloos in toe hem in de zeer nabije toekomst als zogenaamd handschoentje te volgen.

Onze briefwisseling werd abrupt verbroken toen ik het huwelijksaanzoek dat ik uit Batavia ontving afwees, waardoor ik zogoed als zeker aan het jappenkamp ben ontsnapt dat mijn ex-verloofde niet heeft overleefd. Dat kon ik niet vermoeden wanneer ik, opgelucht over mijn herkregen vrijheid, van mijn eigen verdiende geld – ik hield er verschillende baantjes tegelijk op na – op zondagmiddagen met vriendinnen naar Pschorr toog, waar we op de onvergetelijke klanken van `Same old moon', `Smoke gets in your eyes' en `Remember me' over het betoverde aquarium zwierden.

Dit wekelijkse vermaak eindigde plotseling nadat ik de vergissing had begaan me op te geven voor de Lilian Harvey-verkiezing, die met een gala-avond in de dancing werd georganiseerd. De operetteachtige films waarin zij schitterde, zoals Das Kongress tanzt en Die Drei von der Tankstelle, werden maandenlang met ongekend succes geprolongeerd – altijd in Luxor, het theater van de UFA aan de Kruiskade, waar uitsluitend Duitse films werden vertoond en zich dagelijks rijen liefhebbers voor het loket opstelden.

Aangespoord door mijn vriendinnen, die meenden dat ik iets van de diva weghad en de concurrentie met glans zou verslaan, had ik mij enige meters zwart fluweel aangeschaft, waarvan onze naaister op mijn aanwijzingen een nauwsluitend, mouwloos en hooggesloten avondtoilet vervaardigde. Als gedurfd contrast met de ingetogenheid van dit kledingstuk bevond zich, min of meer geïnspireerd door de zeer gewaagde creatie die ik de actrice in de film Quick had zien dragen, een ovaalvormige uitsnijding `tussen de buste', zoals de ontstelde naaister het noemde, die door twee smalle reepjes fluweel werd bijeengehouden. Ondanks deze trouvaille werd ik door hevige twijfel bevangen toen ik een medekandidate voor de titel in het oog kreeg die, overeenkomstig gekapt en opgemaakt als de ster, in wuivend lila tule de zaal betrad. Met een schok drong het tot mij door dat ik er geen ogenblik aan had gedacht naar een kapper te gaan of me op te maken, afgezien van wat poeder en lipstick, en dat ik geen schijn van kans had me met dit opvallende wezen te meten.

Op het moment dat ik, terwijl het orkest `Das gibt's nur einmal, das kommt nie wieder' inzette, over het podium liep en me afvroeg wat ik in 's hemelsnaam aan het doen was, moet mijn gezicht onder het onbarmhartige licht van de schijnwerpers dan ook een nietszeggende bleekheid hebben getoond, hetgeen duidelijk aan het matige applaus was te merken.

Natuurlijk won de lila tule. De rest van de avond voelde ik me belachelijk in mijn geraffineerde jurk en had de dancing op slag alle bekoring voor mij verloren.

Vijf jaar later bleef er tijdens de oorlogsdagen van mei 1940 geen steen van Pschorr overeind en werd de magische dansvloer in duizend scherven verbrijzeld.