DNA-bewijs in zaak Sybine Jansons slinkt

Vanmorgen begon in Utrecht het proces tegen de verdachte van de moord op de 13-jarige Sybine Jansons.

De kans dat hij de moordenaar van Sybine Jansons (13) was, is volgens het hardst mogelijke bewijs, een deel van zijn DNA-profiel, 1 op 6.000. Dus zegt hoofdverdachte Martin C. geen woord op vragen van de voorzitter van de rechtbank. Hij lijkt rustig te wachten tot zij de voornaamste bewijslast zal afwijzen.

Vanmorgen begon voor de meervoudige kamer in Utrecht het proces tegen de 38-jarige C. Naast vrijheidsberoving, verkrachting en moord dan wel doodslag in de zaak van Sybine Jansons, wordt C. ook twee andere verkrachtingszaken tenlastegelegd. Sybine verdween op 19 januari vorig jaar op weg van school naar huis tussen Doorn en Maarn. Ruim een maand later werd haar lichaam in een vaart bij Breukelen gevonden. In augustus van dat jaar werd een 16-jarig meisje uit Nieuwegein meegenomen in een busje en onder bedreiging van een mes verkracht. Een maand later is een stewardess verkracht in de buurt van Schiphol. Deze twee slachtoffers herkenden Martin C. op foto's.

Beide verkrachtingszaken werden vanmorgen behandeld. Opvallend bleek de neiging van C., volgens de slachtoffers, om sporen uit te wissen. Vingerafdrukken en spermasporen vermeed of verwijderde hij zorgvuldig. Toch spoorde de politie hem op. En ook was Martin C. toen bereid DNA-materiaal af te staan.

Intussen vergeleek het forensisch laboratorium in Leiden maandelijks het DNA-materiaal van nieuwe verdachten dat was binnengekomen met de sporen die op het lichaam van Sybine Jansons waren aangetroffen. Bij binnenkomst van het materiaal van Martin C. werd een `match' gevonden. Zij het een beperkte – althans om met absolute zekerheid te kunnen zeggen dat C. het was. Op het dode meisje was maar een miniem DNA-spoor gevonden.

Tegen de middag kwamen de eerste DNA-specialisten als getuige-deskundigen aan het woord en leek hun kansberekening steeds somberder van aard. Rond half twaalf daalde de kans dat C. bij het gevonden DNA-spoor hoort al van 1 op 4.000 naar 1 op 6.000. Onduidelijk was nog welke andere bewijzen er tegen C. zijn in de zaak-Jansons. C.'s raadsman T. Stapel erkende tijdens een schorsing dat hij zijn cliënt heeft aangeraden niets te zeggen, ,,omdat er natuurlijk geen aanwijzingen zijn''.