Dit is een artikel uit het NRC-archief

Boeken

Het terugkerende hondje van de dichter

Er is veel te zien in de tweede dichtbundel van Erik Lindner. De beelden stapelen zich opeen, en tussen die beelden beweegt zich van alles. Een klein wit hondje bij voorbeeld. Viermaal treedt het op, en per keer wordt het raadselachtiger. In het vijfde gedicht van de bundel, `Pastille de menthe', brengt Lindner het beestje voor het eerst in het vizier. Na zeventien beeldrijke, maar weinig transparante regels meldt hij hoe de deur van een machine als een fruitschaal op het trottoir ligt, en dan beweert hij, onverhoeds: `Het witte hondje dat daar plast / behoort de onbekende / die je iets aanbiedt in de nacht.' Voor verdere uitleg is helaas geen plaats en tijd, want de dichter sprint verder:

De nacht is purper en van staal.

De mannen sluiten hun gordijnen.

Ik ben van niemand en van taal.

Met die laatste regel lijkt het gedicht uit te monden in een zelfportret. In woorden, maar allerminst communicerend, want in breed associërende beeldtaal geschetst. Quasi terloops is de stelling `Ik ben te smal voor een mens' inmiddels ingedikt tot `Ik ben te smal een mens'. Maar ook dat verheldert niet wat dit vers wil bedoelen.

Tong en trede biedt geen makkelijke poëzie. Wat we zien is ook niet altijd te duiden, stelt Lindner zelf. Als hij in `Au repos' een naaktportret van Balthus beschrijft doet hij dat in heel directe termen. Maar in de vierde regel komt er beweging in het beeld, lijkt het of het schilderij zelf iets wil zeggen: `Het naakt lijkt iets mee te delen. / Het kan niet alleen zijn wat het is...'

Twintig bladzijden verder, in de titelcyclus van de bundel, komen we het hondje weer tegen. De hoofdpersoon schrijft `een dictaat over de lengte van een stuk karton'. En dan is er plotseling weer `een wit hondje / dat opspringt en er in bijt.' Symboliseert het verzet tegen wat wordt voorgeschreven? Of is het gewoon het hondje van de dichter dat, omdat het zo'n vanzelfsprekend onderdeel van zijn werkelijkheid is, ook in zijn bundel thuis mag zijn?

Maar zo vanzelfsprekend is de werkelijkheid niet, aldus Lindner. Zodra het perspectief van de blik verschuift, verschuift de interpretatie. Of, zoals het in `Legitimaties' wordt benoemd: `het klopt, iedere keer en daarmee nooit / en weer ben je alleen de ander die praat.' Want ook beweging en stilstand negeren, voor wie het zien wil, nu en dan hun wetmatigheid. In misschien wel het mooiste gedicht van Tong en trede is dit idee in zes glasheldere disticha in beeld gebracht. Het is het openingsvers van de cyclus `Tijdelijke halte'.

Is dit een stad? Huizen en trams

raken los van elkaar de straat.

Dit is een luifel. Een marmeren zuil.

Een kapsalon die nog ruikt naar jus.

Hier is een zwembad. Een glazen pui.

Een winkelstraat waar het verkeer niet past.

Ze bukt niet als ze door het kikkerbad waadt

en met haar vingers de kruin van het kind aanraakt.

Bij elke beweging aan het

fotokopieerapparaat

schiet de schuifdeur van de supermarkt open.

Zo verklaart een passant wat passeren is:

een stad die je verlaat terwijl je er blijft.

Het begon met beelden en het eindigt in een filosofisch getinte stelling. Dat gebeurt vaker in verzen van Lindner, maar per saldo wordt er toch meer gedicht dan gedacht. Of die twee disciplines door Lindner als tegenstrijdig worden opgevat is nog maar de vraag. `Niemand bespeelt zo lijfelijk / de diepe trilling van het instrument,' beweert hij, `als een dirigent die denkt. / De dirigeerstok tussen lezen en horen. / De adem door zijn handen.'

Die dirigent heet Lindner. Het is het perspectief dat de werking van wat hem omringt bepaalt, dat hem beelden ingeeft maar – of het om een paukenstok, een supermarkt, een landschap of een wit hondje gaat – dat perspectief wordt door de dichter zelf gekozen. Lindner geeft richting en maat. En dus confronteert hij ons in de cyclus `Legitimaties' opnieuw met het hondje. Ditmaal op een foto: `een man wandelend / en op de rug gezien, een lege vogelkooi / in de rechterhand en bewogen het witte / hondje dat wegloopt voor zijn sandalen.'

Niet zelden ontsporen de beelden in Tong en trede. Van stapsteen naar stapsteen volgt Lindner een eigenzinnig, vaak moeizaam te volgen pad. Soms raakt zijn vers ontregeld, maar vaker ontregelt hij bewust. `Je woont niet in je uitzicht,' stelt hij dan bij voorbeeld. `Stel dat er een gracht voor ligt. // Stel, er staat een raam voor.'

In zo'n onherbergzame, stuurloze wereld is een huisdier een troost. Het laatste beeld is dan ook voor het hondje. `Een lifter en zijn ongeluk' heet de slotcyclus, en nog eenmaal pakt de marskramer Lindner uit:

Bronst, vissekom. Zonnebad.

Blad van de maan, blad dat de maan draagt.

Maanblad. Kaasweger.

Glasgordijn.

De temperatuur van het water.

Het witte hondje op het strand.

Erik Lindner: Tong en Trede. De Bezige Bij, 55 blz. ƒ29,90

Nederlandse literatuur