De supporterscentrifuge

De komst van nieuwsgierige toeschouwers bij de elitesport voetbal maakte de tribunes noodzakelijk en leidde uiteindelijk tot stadion-architectuur.

Schrijvers van boeken over architectuurgeschiedenis houden niet echt van sport en zeker niet van voetbal. Of het nu gaat om de aartsvader van de architectuurgeschiedenis, Sir Nikolaus Pevsner, of om schrijvers als Vernon Gibberd en John Julius Norwich, veel aandacht voor de architectuur van stadions is er niet. Ook onze eigen architectuurcritici als Boekraad, Van Dijk en Bekaert zie je niet zo gauw een balletje trappen.

Alleen in beschouwingen over de Griekse en Romeinse bouwkunst komen we nog wel eens een sportveld tegen. Het stadion van Olympia bijvoorbeeld, de bakermat van de Spelen, of het Colosseum in Rome met zijn 50.000 zitplaatsen, waarbij het nog maar de vraag is of het gebodene daar sport genoemd mag worden. Maar na dit amfitheater is tot ver in de twintigste eeuw geen sportarchitectuur te bekennen. Pas in 1960 verschijnt er weer een stadion in de boeken: het Palazetto dello Sport van de architect Nervi. Het is een enorme koepel, die rust op 36 Y-vormige betonnen benen. Verder komen we alleen nog het Olympisch Stadion van München tegen, dat door Frei Otto werd ontworpen voor de Olympische Spelen van 1972. En dat stadion is eigenlijk alleen maar beroemd om zijn dak: een enorm tentdoek van PVC-coated polyester.

Misschien is het toch waar wat de Delftse studenten in 1968 opschreven in hun Manifest: dat de architect `de slippendrager' is van het kapitaal. Het heeft er alle schijn van, want het grote geld maakt zich meester van de voetbalsport: een echte Monet is goedkoper dan een fitte Van Nistelrooy.

En juist nu, nu het EURO 2000 de gehele samenleving lam legt, komt het Nederlands Architectuurinstituut met een tentoonstelling over stadions. In de grote zaal van het NAi is een tribune gebouwd, met spelerstunnel, kleedkamer en persstudio. Op de vloer ligt een groene kunstgrasmat. Er zijn tekeningen en maquettes van stadions. En er is ook een sky-box en een complete huiskamer met televisie. Als motto is gekozen: de Architectuur van massasport.

Maar toen Pim Mulier het voetbal in 1879 in Nederland introduceerde, was het niet bedoeld als kijkspel voor de massa. Het was vooral een elitaire aangelegenheid, waarbij tweeëntwintig mannen uit de hogere standen elkaar op open plekken in de stad ontmoetten. Bijvoorbeeld op het Malieveld in Den Haag of op de Veemarkt in Rotterdam. Het was veredeld straatvoetbal. Slechts geleidelijk aan kwamen steeds meer nieuwsgierigen naar de wedstrijden kijken.

Voetbal werd openbaar vermaak. Het economisch `wiel' kwam op gang: meer publiek, hogere recettes, meer pachtgeld, betere spelers, meer amusement, nog meer publiek, enzovoort. Vooral de wedstrijden tegen Engelse clubs trokken veel belangstelling, maar wonderlijk genoeg bracht juist een boycot tegen Engeland de grootste doorbraak van het voetbal.

Boerenoorlog

De Boerenoorlog in Zuid Afrika deed in 1899 onze verhouding met de Britten aanzienlijk verslechteren. `Onze Boeren' werden aangevallen en de regering verbood voetbalwedstrijden tegen Engelse clubs. In plaats daarvan werden liefdadigheidswedstrijden gehouden uit solidariteit met Paul Kruger en Christiaan de Wet. Deze wedstrijden trokken duizenden toeschouwers, die grif betaalden en daardoor werd het duidelijk dat voetbal inkomsten kon genereren. Ook na afloop van de Boerenoorlog bleef de belangstelling groeien. Bij sommige wedstrijden zat het publiek op de daken van de omliggende bebouwing. Dat leidde in 1903 tot de bouw van de eerste voetbaltribune bij de club Prinses Wilhelmina (PW) uit Enschede en spoedig volgden er meer.

Natuurlijk ook Sparta uit Rotterdam, want die club liep in alles voorop. Sparta had als eerste een omheind veld, hief als eerste entreegeld en maakte als eerste reclame voor de wedstrijden. De club introduceerde de doelnetten in Nederland en organiseerde ook de eerste damesvoetbalwedstrijd in 1895. Het is ook de eerste ploeg met buitenlandse spelers en de eerste club waar de koningin op bezoek kwam. De tribune uit 1907, waarvan de bouwtekening nog bestaat, was een eenvoudige houten overkapping met daaronder oplopend zes rijen banken. Het was een krakkemikkig geheel en het mag een wonder heten dat het nooit is ingestort.

Dat gebeurde wel met de tribune van het Sportpark Oud-Roosenburgh in Amsterdam tijdens een wedstrijd tussen Nederland en Engeland. Er vielen veel gewonden, maar er waren gelukkig geen doden te betreuren. Het ongeluk leidde tot de bouw van een groot en veilig stadion in de hoofdstad. Het was het eerste echte stadion en het werd dan ook Het Stadion genoemd. In 1914 werd het voltooid.

Al die tijd bleef de voetbalsport zelf een bezigheid voor de elite, maar de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een ommekeer. In heel Europa woedde de oorlog en hoewel Nederland neutraal bleef, werden uit voorzorg grote groepen jongens en mannen opgeroepen voor het leger. Die mobilisatie zou jaren duren en om de tijd te verdrijven en de moed erin te houden werd het voetballen onder de militairen gepropageerd. Terwijl 200 km zuidelijker het grootste slagveld van Europa lag, werden die oorlogsjaren in ons land voetballend doorgebracht. De populariteit van het voetbal groeide en onder de arbeidersjeugd werd nieuw talent ontdekt. Daardoor werden veel clubs minder elitair en Go Ahead uit Deventer was in 1917 de eerste `volksclub' die kampioen van Nederland werd.

Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog werden tribunes gebouwd. In 1916 werd de laatste hand gelegd aan het Kasteel van Sparta. Het was en is nog steeds de parel van de Rotterdamse wijk Spangen. In 1920 bouwde architect Dudok een voetbalstadion in Hilversum. In 1926 werd in Amsterdam op de plaats van Het Stadion een nieuw Olympisch Stadion gebouwd voor 30.000 toeschouwers. Het ontwerp is van Jan Wils, een vooraanstaand architect. Hij had in 1917 aan de basis gestaan van de invloedrijke kunstenaarsbeweging De Stijl, waartoe ook Van Doesburg en Mondriaan behoorden, maar hij stapte al na enkele jaren over naar het baksteen van de Amsterdamse School.

Dat het Olympisch Stadion er kwam, was mede te danken aan het Algemeen Handelsblad. Want het christelijke kabinet wilde geen subsidie verstrekken toen duidelijk werd dat er ook op zondag gesport zou worden. Het Handelsblad organiseerde een bliksemactie onder het Nederlandse volk. Aan winkeliers werd gevraagd om 5 procent van hun dagomzet af te staan. Ook werd elke Nederlander opgeroepen om op 18 mei tussen 20.00 uur en 20.05 de straat op te gaan en geld te storten voor het Olympisch fonds. En met succes. Binnen enkele weken was er twee miljoen gulden in kas. Daarmee waren de Spelen gered en kon Jan Wils zijn stadion gaan bouwen. Hij eerde de gulheid van de Nederlanders met een gemetselde buitenkant van twee miljoen bakstenen.

Vijf jaar later kwam Rotterdam met het Feyenoord Stadion. Voorzitter Van Zandvliet had een visioen gehad: een stadion met twee hangende tribunes boven elkaar. Typisch Rotterdams: het kan niet, maar het kan wel. En dan ook nog voor maar liefst 60.000 toeschouwers. Dat was tweemaal zoveel als het Olympisch Stadion van Amsterdam. Het werd gerealiseerd door de twee toppers van het Nieuwe Bouwen, de architecten Brinkman en Van der Vlugt.

Stadion met oren

Niet lang daarna antwoordde Amsterdam met een uitbreiding van het Olympisch Stadion. Een potsierlijk antwoord. De enige mogelijkheid om ook aan de 60.000 plaatsen te komen was het verhogen van de tribunes achter de doelen: de meest ongunstige plaatsen. Het stadion met de grote oren werd het spottend genoemd. Het zag er niet uit, maar het doel werd bereikt: het Nederlands elftal speelde zijn interlands afwisselend in Amsterdam en Rotterdam.

Toen in 1940 de oorlog uitbrak, dacht niemand meer aan het bouwen van stadions. En ook na de oorlog, tijdens de wederopbouwperiode bestond er geen aandacht voor tribunes, want al het beschikbare beton diende gebruikt te worden voor infrastructuur, fabrieken en woonblokken.

En na de wederopbouw, toen het land zich langzaam herstelde van de Tweede Wereldoorlog, werd het opnieuw oorlog, maar dan op de velden. `Voetbal is oorlog', prentte Rinus Michels ons in en zijn gelijk lag op de tribunes. Hoe vaker de politie op de tribunes verscheen om relschoppers en rivaliserende supportersgroepen in het gareel te houden, hoe meer de supporters het voor gezien hielden. Ze bleven thuis en het stadion werd een risico-plek.

Maar aan het eind van de tachtiger jaren, kwam wonderwel de kentering. De clubs beseften dat ze het publiek wegjoegen en kozen voor een andere koers: ze gingen de supporters als klant behandelen. Stadions werden opgepoetst, hekken en staanplaatsen verdwenen. Sky-boxen werden ingericht in zalmroze kleuren met messing tafels.

In 1988 bouwde PSV in het Philips Stadion een nieuwe hoofdtribune met alle comfort voor de supporters. Ook Ajax kwam met een nieuw stadion, de ArenA: een ruimteschip met een schuifdak. In Arnhem werd het Gelredome uit de grond getoverd en ook Feyenoord bleef niet achter. De Kuip werd grondig opgeknapt en kreeg een nieuw dak en een voorgebouw met restaurant, bars, congresruimte en een Home of History.

Stadions werden centra van de funconsumptie, waarbij voetbal maar één van de ingrediënten is. Tina Turner, Michael Jackson, Britney Spears en al die andere sterren vullen op de resterende dagen de banken van de arena's. De stadions floreren als nooit tevoren; en het woord floreren, zou je haast denken, is afgeleid van florijn: er is geld te verdienen! En waar geld is, verschijnt architectuur.

Heeft de studentenbeweging van de jaren zestig achteraf dan toch gelijk gekregen? Welnee! De werkelijke reden van die ongekende bouwlust en renovatiewoede is een andere. Het komt eigenlijk maar door één verschijnsel: door de wave.

In 1986, tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Mexico, werd de wave in het voetbalstadion geïntroduceerd. Het stadion golfde door de opspringende supporters. Ola, ola, riepen ze en dat betekent wave. Het was het toernooi waarin de superster Maradona zijn befaamde doelpunt maakte, met de broodnodige hulp van `de hand van God'. Maar dat was bijzaak, want het ging in Mexico om de wave. Nooit eerder hadden voetbalsupporters zoiets spectaculairs gezien of er zelf aan deelgenomen. Wij Nederlanders kenden de wave al van het schaatsen. Daar stond het publiek spontaan op als Kees Verkerk of Jan Bols voorbij kwam.

Maar dat is een natuurlijke wave: een linksomdraaiende, die de schaatser volgt. De voetbalwave gaat rechtsom, met de klok mee. Sociologen en cultureel antropologen zoeken naar verklaringen voor de overdracht van de wave van Nederland naar Mexico. Er doen vele theorieën de ronde. Sommigen denken dat de wave in Mexico werd geïntroduceerd door Hollandse schaatsers tijdens hun hoogtestage in Zuid Amerika. Anderen denken dat het de Spaanse schaatser Gomez was, die de wave van onze streken naar Mexico bracht.

Hoe dan ook, het is een feit dat de wave via Mexico de wereld veroverde. Daarmee ontstond de behoefte aan stadions waar de wave naar hartelust uitgevoerd kon worden, en zie, overal verschenen ovaalvormige bouwwerken waarbinnen die kolk van toeschouwers kon ronddraaien. Het Gelredome-stadion is wat dat betreft een mislukking. In dat vierkante stadion slaat elke wave stuk tegen de hoekwanden. In andere stadions is de eretribune vaak een struikelblok: elke wave verzandt na drie rondjes in het moeras van de duurste plaatsen. Maar de ArenA en de Kuip zijn fantastische stadions voor een wave. Zij lijken bijna uitgeschuurd door de centrifugale krachten van opspringende supporters.

Een wedstrijd zonder wave is geen wedstrijd en een stadion zonder wave is geen architectuur.

Want de architectuur van een stadion bevindt zich nooit aan de buitenkant; alles gebeurt binnenin. De mobiliteit is belangrijker dan de stabiliteit. Architectuur is geen uitdrukking van zittende macht of staande magistratuur; architectuur moet zich voegen naar het vluchtige. Het gaat niet om het machtsblok, maar om de beweging; het gaat niet om de paus, maar om de pelgrim. Niet wat stilstaat is architectuur, maar wat beweging mogelijk maakt.

Veel gegevens in dit artikel zijn ontleend het standaardwerk op het gebied van stadions en tribunes in Nederland: `Architectuur aan de zijlijn' van Thijs Tummers en D'ARTS, 1993.

De tentoonstelling: `Het stadion. De Architectuur van massaport' is te zien in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), Museumpark 25, Rotterdam T/m 24 sept.

Catalogus: Michelle Provoost (red.): Het stadion, De architectuur van massasport Uitg. NAi, 184 blz. Prijs ƒ75,-.