Een onsterfelijke ziel op reis door het heelal

`Niets doen, de muziek presenteren als een belevenis die een emotioneel effect kan hebben op het publiek, zonder de fantasie van ieder afzonderlijk teniet te doen.' Dat was het uitgangspunt van regisseur Pierre Audi bij zijn enscenering van Rêves d'un Marco Polo. De Holland Festivalvoorstelling, waarvan het tweede deel gisteravond bij de zeer succesvolle première werd bijgewoond door koningin Beatrix en prins Claus, bestaat uit losse stukken van Claude Vivier (1948-1983) die zijn samengevoegd tot een collagevoorstelling als een `opéra fleuve', in het Cultureel Supplement van afgelopen vrijdag door Rob Zuidam geanalyseerd.

Maar Audi doet natuurlijk wel iets, hij doet zelfs veel belangrijks en beslissends. Hij brengt in zijn enscenering structuur, continuïteit en contrast aan, hij interpreteert, illustreert, verbeeldt ideeën, schept sfeer en toont aanknopingspunten voor gedachten en een mogelijke strekking.

Het eerste deel, de opera Kopernikus, is licht, roomwit, speels-naïef en een ontwapenend-etherische opmars naar de apocalyps in de stijl van Jeroen Bosch en de commedia dell'arte. Het tweede deel Marco Polo, dat uit zes stukken bestaat, is donker, zwart en mystiek streng. Audi schept in het intrigerende optreden van de acteur en recitant Johan Leysen één verbindend personage, dat verschillende rollen vervult: van een tovenaar met alwetende boekenwijsheid die pagina's voorleest en uitdeelt, tot een man die anderen zorgzaam bijstaat in hun existentiële crises. Leysen (wat spreekt hij prachtig Frans!) heeft daarmee een fascinerende hoofdrol en personifieert Vivier.

Zeven stukken in totaal telt deze Vivier-productie, bij sommige uitvoeringen worden ze met één pauze achtereen gespeeld, bij andere verdeeld over twee avonden. Dat lijkt al de helft van Wagners vierdelige Der Ring des Nibelungen, die Audi vorig jaar regisseerde. De enscenering legt, in ieder geval voor mij persoonlijk, ook nog een band met de zevendelige operacyclus Licht waaraan Karlheinz Stockhausen nog steeds werkt. Het `decor' (een steiger met vier verdiepingen) en de bijzondere locatie (de koepelvormige voormalige gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek) herinneren aan de uitvoering van Samstag aus Licht die ik in 1984 zag in het Milanese Palazzo dello Sport en die later werd uitgevoerd tijdens het Holland Festival.

Zowel Audi's ensceneringen van Rêves d'un Marco Polo en Der Ring des Nibelungen als Ronconi's enscenering van Samstag aus Licht spelen zich af op een podium dat zich binnen een grote, soms zelfs onafzienbare ruimte bevindt. In Milaan werden scène en publiek omgeven door een reusachtige witte ellips: de met plastic bedekte tribunes vormden een Melkweg. Bij Marco Polo zijn het podium en de steiger omringd door een doorzichtige plastic wand, waarachter het soms licht, maar meestal zeer duister is, terwijl men toch ziet dat er daarachter `iets' is, het oneindige lege universum.

Steeds gaat het om de suggestie van een voorstelling die loskomt van de aarde en zich vrij voortbeweegt, reizend door het heelal van ruimte en tijd. Het beeld van de kosmos, waarvan de astronoom Copernicus deels de werking ontdekte, is voor Audi een metafoor voor het leven voorbij de dood, waarvoor we geen angst moeten hebben, maar die we, net als de wereldreiziger Marco Polo, kunnen ontdekken. Het is het universele thema `Tod und Verklärung', in Mahlers Tweede symfonie aldus verwoord: `Der liebe Gott wird mir ein Lichtchen geben, wird leuchten mir bis in das ewig selig Leben.'

Er is nog een overeenkomst tussen Audi's ensceneringen van Rêves d'un Marco Polo en Der Ring des Nibelungen: in beide bevinden de musici zich op het podium en niet in een aparte orkestbak. Audi integreert de musici in het toneelbeeld en verheft hun `begeleiding' tot een hoofdrol. In Kopernikus zijn de musici net zulke echte personages als de zangers. Het maakt immers geen verschil of men muziek maakt met het strottenhoofd van de zangers als instrument of met een instrument buiten het lichaam. Het deel Marco Polo heeft ook twee geheel instrumentale stukken: het briljant klinkende Shiraz voor piano solo (virtuoos gespeeld door Marc Couroux) en het geagiteerd klaaglijke Zipangu voor strijkorkest. De concertante uitvoeringen transformeren in deze omgeving tot muziektheater.

De band met Stockhausens Licht is telkens expliciet als het in de teksten over `licht' gaat en het gaat vaak over `licht'. Het sterkst is dat het geval in Wo bist du, Licht!, een van de hoogtepunten van de voorstelling. Kathryn Harries komt, met donkere vlekken rond haar ogen, op als een blinde vrouw, die op de tekst van Hölderlins Der blinde Sänger met een stok haar weg tussen de obstakels zoekt. Op de achtergrond hoort men Martin Luther King, de man met een droom, een visioen, iets dat nog niet letterlijk zichtbaar is, maar al wel bestaanbaar in de geest. Hier ligt de kern van Viviers eigen concept van zijn `opéra fleuve', die een opera moest zijn voor `ontdekkers en dromers'.

De muziek van Vivier is voor mij vaak jeugdsentiment, herinnerend aan het avant-gardisme uit de jaren '60 en '70: Maderna, Berio, Nono, Stockhausen. En Ligeti, in wiens Aventures, net als hier soms, wordt gezongen in kartonnen kokers, die in deze kosmische omgeving aandoen als sterrenkijkers. En Messiaen natuurlijk, want vaak hebben muziek en tekst een sacraal karakter. Maar bij Vivier is de soms hermetische eigentijdse muziekstijl van toen op hoogst persoonlijke wijze wat verzacht en krijgt die met goed in het oor liggende intervallen een roerende, indringende en beklemmende werking.

De voorstelling als geheel is een top in de opera-ensceneringskunst van Pierre Audi en is ook opera over opera. In Kopernikus gaat het over Mozart, de Koningin van de Nacht en Tristan und Isolde. Een jammerscène verwijst naar Puccini's Gianni Schicchi, de aangrijpende uitvoering van Lonely Child door Susan Narucki lijkt een alternatief slot voor voor Puccini's Suor Angelica. En het slot van Kopernikus is een variant op de slotscène van Strauss' Der Rosenkavalier.

De grote intensiteit en de volle overgave waarmee musici en zangers onder leiding van Reinbert de Leeuw gestalte geven aan Rêves d'un Marco Polo doen het geheel uitgroeien tot een kosmisch `Gesamtkunstwerk' dat het leven, de dood en het verdere zieleleven in het heelal omvat. Het slotstuk Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele, onvoltooid toen Vivier werd vermoord, bevestigt dat. Na ruim drie uur muziektheater over eeuwig leven eindigt de voorstelling met de dood van Vivier die hier tegelijkertijd weer tot leven wordt gewekt.

Voorstelling: Rêves d'un Marco Polo (Kopernikus, Prologue pour un Marco Polo, Shiraz, Lonely Child, Zipangu, Wo bist du, Licht! en Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele van Claude Vivier) door de Nederlandse Opera, Asko Ensemble en Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw m.m.v. o.a. Susan Narucki, Kathryn Harries. Kostuums: Angelo Figus, scenografie en belichting: Jean Kalman; regie: Pierre Audi. Gezien: 4/6 Westergasfabriek Amsterdam. Herh. op een of twee avonden t/m 17/6/ Inl. en res.: (020) 6255455.