`Topman IHC miste vertrouwen'

Een vertrouwenscrisis onder de leden van de raad van bestuur heeft vorige week geleid tot het vertrek van ir. C.A. de Ruyter als topman bij IHC Caland. Dat hebben betrokkenen rond het bedrijf bevestigd.

De Ruyter stapte vorige week op bij IHC ,,om persoonlijke redenen.'' Maar achter dit standaardjargon in het bedrijfsleven voor ontslagen topmedewerkers blijkt meer schuil te gaan. De Ruyter werd gedwongen op te stappen na een aantal beschuldigingen van zijn mede-bestuursleden J.J. van Dooremalen en zijn Schotse collega G. Docherty (financiën), die De Ruyter ondermeer gebrek aan inzet en incompetentie verweten. De in 1998 van Kvaerner overgekomen topman zou onvoldoende de markt kennen, niet voldoende naar de klanten luisteren, stukken voor vergaderingen niet hebben gelezen en volgens een betrokkene op bijeenkomsten met analisten ,,maar wat hebben raak gekletst.'' De Ruyter, die niet voor commentaar bereikbaar was, was voor zijn komst naar IHC directeur bij Kvaerner Process, de chemische divisie van het industrieel maritieme Noors-Britse conglomeraat.

De commissarissen, die nog een poging hebben ondernomen de breuk binnen het bestuur van IHC te lijmen, stelden na een uitvoerig onderzoek Van Dooremalen en Docherty in het gelijk en zegden De Ruyter de wacht aan. Waarna president-commissaris H. Langman van IHC vorige week tijdens de vergadering van aandeelhouders het vertrek van De Ruyter officieel bekendmaakte.

De Ruyter volgde vorig jaar november oud marine-man Jan-Diederick Bax op als opvolger bij IHC Caland, een bedrijf dat actief is in de scheepsbouw (ondermeer baggerschepen) en wereldwijd een technisch hoogwaardige dienstverlener is voor de olie- en gasindustrie. Onder Bax, die vorig jaar een 30-jarige loopbaan afsloot bij het bedrijf, maakte IHC zowel qua beurswaarde als winstontwikkeling een spectaculaire groei door. Ook De Ruyter was ,,bezeten van groei'', zoals een betrokkene dat formuleert, maar hij leefde bij de waan van de dag. De ene keer wilde hij de scheepsbouw afstoten om geld te genereren voor acquisities in de offshore-actviteiten (Caland produceert ondermeer drijvende productie- en opslagsystemen voor olie), op andere momenten omarmde hij de scheepsbouw weer. Zoals tijdens een interview met deze krant in een verhaal over scheepsbouw waarin hij deze bezigheid van IHC Caland ,,een prachtige activiteit noemde.'' De Ruyter mopperde bij die gelegenheid wel wat over de moordende concurrentie uit een lage lonen land als Zuid-Korea. ,,Maar daar heeft iedereen last van.''

President-commissaris H. Langman lichtte vanochtend desgevraagd toe dat hij op de hoogte was van de ideëen van De Ruyter bij IHC Caland. ,,Hij signaleerde een aantal op handen zijnde ingenieursopdrachten in de offshore die de capaciteit van IHC enigszins te boven ging.'' De commissarissen vroegen De Ruyter daarom bij die gelegenheid om een strategisch beleidsstuk dat de topman toezegde voor januari. Maar die beleidsnota is nooit verschenen. In plaats daarvan werd de raad van commissarissen geconfronteerd met een crisis binnen het bestuur van de onderneming. Langman zegt dat een verschil in visie over de te hanteren strategie - doorgaan met alleen offshore of ook nog scheepsbouw daarnaast - niet ten grondslag ligt aan het vertrek van De Ruyter. ,,Aan die discussie waren we nog niet toegekomen.'' Een ander betrokkene zegt: ,,We hebben hem gevraagd: leg je strategie maar eens uit. Er had best een situatie kunnen ontstaan dat je geld nodig hebt om verder te groeien en dat je daarom de bouw van baggerschepen zou moeten verkopen. Maar zover waren we nog lang niet.''

Commissarissen van IHC Caland realiseren zich met het aanstellen van De Ruyter een inschattingsfout te hebben gemaakt. ,,Hij leek aanvankelijk de juiste man met de juiste kwalificaties'', zegt een betrokkene.,,Maar de zaak is uit de hand gelopen. Het is De Ruyter een beetje naar het hoofd gestegen. Het draagvlak onder zijn beleid was volledig weg.''