Overnachten op z'n Brits

Als geregelde Groot-Brittannië en Ierland-ganger heb ik inmiddels al heel wat Bed & Breakfasts de nieren geproefd. Ze zien er allemaal hetzelfde uit, of ze nu `approved' zijn of niet, en in categorie A, B of C vallen. Het tapijt is over het algemeen zalmroze en er ligt een zwartig vuile zweem overheen. Her en der bevinden zich brandvlekken van gemorste as: stille getuigen van de eenzame avonden van handelsreizigers in chips en snoepwaren die 's avonds lusteloos voor de `telli' hangen. Behang is vooral bloemrijk en kussens zijn afgezet met kant. Er liggen tijdschriften die nauwelijks de moeite waard zijn om open te slaan; roddelkrantjes en glamourbladen die vettig aanvoelen omdat ze al door ontelbare handen zijn gegaan. En als het tegenzit staan er ook een paar pluchen beesten in de buurt van het bed.

In de doorsnee B&B is altijd een enorme kast met wel veertig hangertjes, terwijl je twee bloesjes en één jasje bij je hebt om op te hangen. Op het glazen plankje boven de wastafel ligt een `shower cap' in een dichtgesealed plastic zakje. De spiegel, onontbeerlijk bij het scheren, hangt immer te laag. Het deksel van de wc is omzoomd met een roze kleedje. Ook in het toilet ligt trouwens hetzelfde zalmroze tapijt als in de kamer. Is het wat gelig uitgeslagen of is dat slechts verbeelding? Het douchegordijn blijft altijd kleven aan je natte lijf omdat de douche te klein is.

Een spaarlamp van honderd watt zorgt voor sfeervolle verlichting. Met een beetje geluk heb je nog een bedlampje dat werkt. Een bureau om aan te werken is er niet, evenmin als een goede stoel om op te zitten. Alles is te klein, te ongemakkelijk of te laag.

B&Bs zijn ook onverminderd gehorig. Je hoort de tv van de buren, of, en dat is nog erger, hun gesprekken. Of je het nu wilt of niet, voortdurend registreer je de deur die dichtvalt of de vloer die kraakt, net op het moment dat je echt in slaap dreigt te vallen.

Zoals het in een goede B&B betaamt, is er een gemeenschappelijke ruimte. Daar zit nooit iemand omdat het zo mogelijk nog sfeerlozer is ingericht dan de slaapkamer. Maar als er wel mensen zitten, wie bedient dan de tv? En wat als jij nou net geen zin hebt in tv? Bovendien: wat moet je met die wildvreemde mensen waar je deze huiskamer mee deelt?

De volgende morgen wacht vanzelfsprekend het ontbijt. De eeuwige cornflakes, eieren, spek, worstjes, bleke toast – en als je pech hebt ook nog bonen in tomatensaus – ontlokken aan je maag na een week slechts antiperistaltische bewegingen. En de koffie? Ach ja, de koffie. De kwaliteit kan nauwelijks treffender worden omschreven dan Gerrit Komrij ooit deed: het is als een teil lauw water waar een koffieboon doorheen is geschoten.

En dan last but not least, de gastvrouw zelf. B&Bs worden namelijk nooit gerund door heren, altijd door dames. Oudere dames vooral. Haakwerkmevrouwen. Hospita's voor één nacht. Ze paren een ogenschijnlijk hartelijke gastvrijheid aan de zakelijkheid die hoort bij het fenomeen elke-avond-nieuwe-gasten.

Is er dan helemaal niks positiefs te melden? Welzeker. Een grote stap voorwaarts in de geschiedenis van de in den vreemde bivakkerende mensheid is de waterkoker. Eindelijk kun je op de tijd die je zelf het beste schikt een kopje koffie zetten. Maar waarom is er altijd alleen maar die vreselijke Nescafé?

    • Willem Oosterbeek