Houtrust

Ik heb altijd iets met Houtrust gehad. Voor de goede verstaanders zal het niet nodig zijn, maar voor alle anderen zij vermeld dat hier het Haagse Houtrust wordt bedoeld, waar HBS (Houdt Braef Stand) heel lang en Holland Sport vrij kort hebben gespeeld. Houtrust had iets bijzonders. Uitgesproken chique was het niet. Laten we zeggen dat er de sfeer hing van de gegoede middenstand. Er was een overdekte tribune – gebouwd onder directie van ir. Harry Denis – die later in vlammen is opgegaan. Denis was jarenlang de meest gerenommeerde voetballer van HBS tot Bakhuys uit Zwolle overkwam. Bakhuys heeft er slechts een paar jaar gespeeld, tegen Denis een half leven. Denis-Vermetten, dat was het back-stel uit de twintiger jaren. Hun opvolgers droegen van die gouden gordels, ten teken dat de Kraaien een halve eeuw in de hoogste klasse voetbalden. Het latere HBS, van na de oorlog, had ook iets bijzonders. Het had het beste binnentrio van ons land: Van der Vegt-Langelaan-Kuneman. De eerste twee zijn overleden. Alleen Jampie Kuneman is nog in ons midden. Maar zij waren niet de enige HBS'ers die opvielen. Joop Walhain was een stoere rechtsback die van de vierdeklasser Duno afkomstig was. En Hans Herklots, majoor bij de mariniers, was een onverbiddelijke stopperspil. Op het middenveld zwierf en dribbelde ene Schwencke, een soort Edgar Davids avant la lettre. Ook op het middenveld de onlangs overleden voetballer-tennisser-militair Fred Dutrieux. Tussen de palen Tom van der Land uit Winterswijk die een tikje aan Jan van Beveren deed denken. En als rechtsbuiten het judo-duikelaartje Nauwelaerts d'Agé, die net als Boudewijn Zenden kon vallen en opstaan in één vloeiende beweging. Of op die plek Frans Hoekstra, die later bij mij op de sportredactie van de Haagsche Courant belandde en vertelde dat Anton van der Vegt hem eens bits had toegesproken nadat hij (Frans) schitterend had gescoord uit een pass van zijn aanvoerder. ,,En toch had je die bal aan mij terug moeten geven ...''

Een van de speciale dingen van dit HBS was, dat men zich zo min mogelijk van de toeschouwers aantrok. Ze mochten er zijn, op voorwaarde dat ze zich gedroegen. Terwijl ook juichen was toegestaan, zij het met mate. Afkeurend geloei was uit den boze. Het elftal voelde zich verantwoordelijk jegens elkaar en hoogstens tegenover het bestuur, maar met het betalend publiek wilde het niets te maken hebben. Een astrant stel voetballers, intelligent en voor de buitenwereld moeilijk grijpbaar. Mooie tijden!

    • Herman Kuiphof