Gelukzalig

Opeens valt op hoe stil het is. Geen wind, geen regen. Zelfs de kauwtjeskolonie zwijgt. Deze namiddag wordt afgesloten door een ferme mistbank. Onstuitbaar trekt een wade over het uitzicht. De einder verdwijnt, schimmen verschijnen. Kijk, daar doemt het meisje met de champagne-ogen op. In gelukkiger tijden swingde ze in haar eentje uiterst bekoorlijk op de jazzpastiche `Moondance' van Van Morrison, al was ze te jong om de muzikale grap te herkennen. `There and then all my dreams will come true'. Op haar glanzend gepolijste parketvloer danste ze bij voorkeur achteruit. Zoals gebruikelijk had ik uitgebreid voor haar gekookt en ik zat na afloop aan haar werktafel te lezen, keek op en zag hoe ze met een verleidelijke blik in haar ogen achterwaarts richting slaapkamer danste...

De mistflard verandert van vorm en opeens herken ik mijn moeder zaliger, niet als stervend vogeltje, maar zoals ik me haar het liefst herinner: als elegante mannequin. In de jaren zestig showde ze modellen voor een inmiddels verdwenen Enschedese textielfabriek. Trots als een pauw liep ik naast haar over straat. Schoolvriendjes riepen vanaf de overkant: `Moeder van Peter Yvon mogen wij ook met u lopen?' Dat mocht.

Een paar dagen geleden vond ik haar aandoenlijke poesiealbum terug. Achterin staat in haar ouderwets krullend handschrift `Op Kerstmis gekregen te Leeuwarden. Theunie van der Wal 1924.'

Het boekje is een kleinood, boordevol zoete plakplaatjes en aan Lieve Theuntje gerichte versjes. Geschreven door mijn overleden tantes Trijntje en Jellie, vriendinnetjes als Berendje en Froukje Faber, en natuurlijk Meester Krol. Het roerendst is dat van haar moeder die ik nooit heb gekend:

Een paar open oogjes

Een hartje van goud

Een zuiver geweten

Zorg dat ge 't behoudt

En brengt dan 't leven

U kommer en smart

Leef dan tevreden

Met vreugde in 't hart.

Uit de onlangs geschoren meidoornhaag die de nu even braakliggende akker omzoomt, doemt een rozenvingerige mistflard op: het meisje met de groene ogen. Vermoedelijk, van deze afstand is het niet met zekerheid te zeggen, zijn haar pupillen verwijd wegens hasjgebruik.

`Tough shit, does a bear shit in the woods?' antwoordde ze strijk en zet op de vraag of ze weer blowde. En als ze koffie inschonk, kirde ze onveranderlijk: `Zo zwart als jouw hart, dear nutter'.

Onvergetelijk is haar reactie toen ik kwam aanzetten met een delicaat flesje Dali-parfum:

`Aaagh airhead, you're such a sweet muffdiver!'

De mist heeft mijn hoofd bereikt en ik zit opnieuw in de concertzaal, kijk en luister naar Haydns Die Schöpfung. Ben omringd door onheilspellend opgemaakte ogen, gepermanent hoofdhaar en kalende kruintjes. Ik bewonder de zwoegende boezem van de sopraan, de stadsbleke bovenarmen van de dwarsfluitiste. De dirigent zingt geluidloos mee, wiebelt op de tenen, zwengelt en pompt met de armen, maar het orkest blijft log en amechtig. Het koor swingt echter gelukzalig, zwelt en dimt, dendert en valt stil. `Jeder Augenblick ist Wonn, keine Sorge trübet sie'.

Jammer dat je er niet was, zeg ik de volgende ochtend tegen de aanbiddelijke Fee, wegens volhandigheid afwezig. Want `mit Dir erhöht sich jede Freude, mit Dir geniess' ich doppelt'.

Ze glimlacht en plots sneeuwt het rozen.

    • Peter Yvon de Vries