Een gevecht om internationale superioriteit

Wereldtentoonstellingen zijn een middel voor landen om elkaar af te troeven, een uiting van internationale wedijver. Maar wie weet nog waar de vorige expo was?

TOEN PRESIDENT MOBUTU van Zaïre in 1967 werd aangevallen omdat hij vijf miljoen dollar ter beschikking had gesteld voor de organisatie van het boksduel tussen Mohammed Ali en George Foreman, verdedigde Ali de president: ,,Wat is nou vijf miljoen dollar als hij daarmee Zaïre op de kaart kan zetten? Landen beginnen oorlogen voor een plaats op de kaart, en dat is heel wat duurder dan vijf miljoen dollar.''

Gelijk had-ie. Eeuwenlang is het slagveld het enige terrein geweest waarop landen met elkaar konden wedijveren. Het is pas sinds anderhalve eeuw dat internationaal georganiseerd en structureel wordt nagedacht over de manier om de oorlog voort te zetten met andere middelen. De eerste wereldtentoonstelling, Londen 1851, is er een resultaat van.

Oorlog en vrede moeten hier goed uit elkaar worden gehouden. Zeker, de voormannen en organisatoren van de eerste wereldtentoonstellingen waren vooral vredelievende kosmopolieten, die in het evenement een manier zagen om de nationale industrieën van elkaar te laten leren. Velen van hen geloofden in de langdurige voordelen van vrijhandel boven de kortstondige winsten van protectie. Ze waren sociale utopisten, die hoopten dat het industriële proletariaat, dat was ontstaan sinds het eind van de achttiende eeuw, een betere toekomst zou krijgen. Bovendien lopen er enkele lijnen van de expo naar de vredesbeweging die in de tweede helft van de negentiende eeuw opkwam. In het algemeen waren zij dragers van het vooruitgangsideaal waar de negentiende eeuw zo hartstochtelijk in geloofde.

Maar de mannen van de expo waren toch voornamelijk liberaal, in die zin dat ze ervan overtuigd waren dat competitie de beste manier was om de wereld te verbeteren. Je zou het, bij gebrek aan een betere uitdrukking, resultaat van de tijdgeest kunnen noemen. In 1859 verscheen het hoofdwerk van de bioloog Charles Darwin, waarin hij de evolutie als een competitie van de soorten verklaarde. In de jaren zestig van de negentiende eeuw ontstonden de eerste sportorganisaties in Engeland en in 1900 werd de expo gekoppeld aan de organisatie van de Olympische Spelen. Parijs was dat jaar zowel gastheer van 's werelds grootste internationale sportevenement als van de wereldtentoonstelling. Vier jaar later hadden Spelen en expo tegelijkertijd plaats in St. Louis.

Maar hoe dicht lag het concept van beschaafde competitie voor de mensen uit die tijd bij het ideaal van de sportieve oorlog. Lees hoe koningin Victoria in haar dagboeken de opening van de expo in 1851 beschrijft: `Today is one of the most glorious in ones life, which, to my joy and pride will always be associated with the name of my dearly beloved Albert!' En vergelijk haar woorden met het gedicht dat Alfred Tennyson wijdde aan de nutteloze heldendood van zeshonderd cavaleristen van de Light Brigade tijdens de Krimoorlog van 1854 (drie jaar later): `When can their glory fade? / Oh, the wild charge they made! / All the world wondered.'

Eeuwige roem. Is het niet in een veldslag, dan wel met Crystal Palace. Al die sprookjesachtige gebouwen die in een paar maanden tijd uit de grond worden gestampt en na afloop even snel weer afgebroken, als zijn het paleizen van Aladin en zijn wonderlamp – het lijken bijna militaire operaties. En al die landenpaviljoens bijeen op het expo-terrein doen denken aan de tenten op een middeleeuws riddertoernooi.

Binnen wordt de internationale superioriteit bevochten met de nieuwste industriële producten en technische vondsten. Wij hebben de eerste typemachine. Nou en? Wij hebben elektrische verlichting. O ja? Wij hebben de eerste hydraulische lift. Geen toeval dus dat de eerste tien expo's, op één uitzondering na, allemaal plaatshebben in Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten – de grote industriële naties. Geen toeval ook dat het Duitse paviljoen in de eerste jaren van de twintigste eeuw telkens weer de machinegeweren en ander oorlogsmaterieel van Krupp Stahlwerke tentoonstelt.

In de loop van anderhalve eeuw expo zie je het vredelievende karakter veld winnen. De strikt technische competitie wordt steeds verder aangekleed met markten, tentoonstellingen en kermisvermaak. Het publiek dat zich eerst vergaapte aan de Duitse kanonnen en de Amerikaanse wondervindingen, wandelt nu door nagebouwde pittoreske dorpjes en leert over internationale solidariteit. Zo is het thema van de Brusselse expo 1958: `Voor een menselijker wereld' en bouwt de organisatie, op het koudst van de Koude Oorlog, het Atomium om de vreedzame mogelijkheden van kernenergie aan het publiek te tonen.

Het Bureau International des Expositions, dat sinds 1928 locatie en datum van de wereldtentoonstellingen vaststelt, is het laatste overblijfsel van de Volkenbond – hét twintigste-eeuwse symbool van wanhopig streven naar een wereld zonder oorlog. Maar toch: lees hoe de Canadese pers schrijft over de wijze waarop dit Bureau de Japanse stad Aïchi de wereldtentoonstelling 2005 heeft gegund, in plaats van Calgary: de berichten wemelen van de `strijd' en `gevechten' en `rivalen'. Een platform voor de vrede wordt niet zonder slag of stoot veroverd.

Aïchi zou een begroting van 3,8 miljard dollar hebben voor de expo. Dat roept de vraag op of oorlog voor de Mobutu's van nu niet toch goedkoper is.

De internationale wedijver is een te groot sentiment gebleken voor een enkel evenement om hem in te dammen. De concurrentieslag heeft zich over vele terreinen uitgebreid. Olympische spelen en voetbalkampioenschappen, filmcompetities, songfestivals en culturele hoofdsteden, Sails, flora's en Gay Prides – het moet tegenwoordig wel een heel suffe stad zijn die niet met een of ander evenement op de kaart staat. Intussen is de kaart overvol geraakt en de betekenis van de wereldtentoonstelling navenant gedevalueerd. Vraag willekeurige bezoekers straks in Hannover waar de vorige expo is gehouden en slechts weinigen zullen op Sevilla kunnen komen.

Literatuur: Pieter van Wesemael, Architectuur van instructie en vermaak. Een maatschappij-historische analyse van de wereldtentoonstelling als didactisch verschijnsel.

GESCHIEDENIS

    • Bas Blokker