DNA-profiel nog heel ver weg

Met behulp van DNA het uiterlijk van een dader bepalen en hem dan opsporen. Het mag van minister Korthals (Justitie), maar het kan nog lang niet.

De Amerikaanse chemiereus Monsanto stelde vorig jaar tot zijn spijt vast dat de maatschappelijke discussie over genetisch gemodificeerde soja wel wat erg laat op gang was gekomen. De grondstof zat inmiddels in 20.000 verschillende levensmiddelen, terwijl in de volksmond de term `Frankenstein-food' al stevig gevestigd was.

Die nalatigheid kan minister Korthals (Justitie) in de toekomst moeilijk worden aangewreven. In de schriftelijke voorbereiding van een wijziging van de wet DNA-Onderzoek in Strafzaken, liet de bewindsman de Tweede Kamer gisteren weten dat een opsporingsprofiel van een verdachte op grond van beschikbaar DNA-materiaal gemaakt moet kunnen worden. Dat zou de politie geweldig van pas komen bij de opsporing van een vanzelfsprekend onbekende verdachte.

Een schot dat vooralsnog wel heel ver voor de boeg is, want het enige uiterlijke kenmerk dat volgens de huidige stand van de wetenschap met absolute stelligheid uit DNA-materiaal kan worden afgeleid, is het geslacht van de verdachte. En dat is om voor de hand liggende redenen met name bij zedendelicten niet eens zo interessant.

Voor het overige lijkt DNA-materiaal met steeds grotere stelligheid iets over het ras van de `eigenaar' te kunnen zeggen. Dat kan voor de politie interessant zijn omdat langs die weg hele groepen mogelijke verdachten op grond van dit onderzoek kunnen worden uitgesloten. Met andere woorden: als het DNA van de verdachte duidt op een Kaukasisch ras, heeft het geen zin om Afrikanen nog langer in het onderzoek te betrekken.

Dat het DNA-onderzoek op dit forensische terrein razendsnel zou gaan is volgens ingewijden lichtelijk overdreven. De moleculaire drager van alle erfelijke eigenschappen wordt al de vingerafdruk van de 21ste eeuw genoemd, maar de vraag is of de ontwikkeling van de technologie zo'n vaart zal nemen dat de politie binnen afzienbare tijd over spectaculaire nieuwe onderzoeksmethoden kan beschikken.

De chemische structuur van het DNA, dat in 1869 voor het eerst werd geïsoleerd, is inmiddels volledig opgehelderd. Hoe het DNA er uit moet zien, het bekende dubbele helix-model, werd door Watson en Crick in 1953 gepostuleerd. Het menselijk genoom is echter nog lang niet geheel in beeld gebracht. Dus gaat ook het Nederlands Forensisch Instituut in Rijswijk (het voormalige Gerechtelijk Laboratorium) er niet vanuit ,,dat de eerstkomende jaren onderzoeksresultaten beschikbaar komen waarvan met een voldoende mate van betrouwbaarheid oog- en haarkleur of vergelijkbaar onderscheidende persoonskenmerken beschikbaar komen'', zo schrijft Korthals aan de Kamer.

De bewindsman verwijst in zijn reactie aan de Tweede Kamer expliciet naar Brits onderzoek. Onderzoekster J. Thompson van het Forensic Centre zegt dat vooral een antwoord wordt gezocht op de vraag of die `unieke erfelijke code van ieder mens' iets onweerlegbaars kan zeggen over bijvoorbeeld de kleur van haren en ogen, de grootte van de neus of de lichaamslengte. Maar zelfs in deze optimistische kringen wordt niet verwacht dat er tussen nu en vijf jaar ook maar iets van zekerheid kan worden gegeven. Dat neemt niet weg dat er altijd onverwachte doorbraken mogelijk zijn, waarschuwt Thompson.

Mocht daar sprake van zijn, dan wil Korthals de principiële discussie alvast achter de rug hebben, zo maakte hij gisteren duidelijk. Die discussie gaat dus over `de stap verder' met DNA-onderzoek in strafzaken. Werd sinds de wettelijke regeling op dit punt op 1 september 1994 in werking trad het gevonden DNA vergeleken met dat wat bij de verdachte werd afgenomen, nu zou een daderprofiel kunnen worden gemaakt op grond van gevonden DNA in bloed, sperma, een haarwortel of een huidschilfer.

Korthals wil dat alle betrokken partijen hem de komende maanden gaan adviseren. Het lijkt daarbij uitgesloten dat de wetgeving straks, zoals meestal het geval is, door de wetenschappelijke ontwikkelingen wordt achterhaald. Bij Korthals staat voorop dat het eventuele gebruik van een nieuwe onderzoeksmethode `met alle waarborgen omgeven is'. Zo moet wettelijk verzekerd zijn dat DNA-onderzoek niet mag dienen voor het krijgen van informatie die voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten niet van belang is.

De Tweede Kamer lijkt intussen tevreden met de voortvarendheid van de bewindsman. PvdA-woordvoerster Kalsbeek liet al eerder weten akkoord te gaan met nieuwe methoden, mits die in navolging van het advies van de Registratiekamer `nadrukkelijk in de wet worden begrensd'. CDA-woordvoerder Van de Camp steunt Korthals van harte. Alleen GroenLinks en de SP willen graag even een pas op de plaats maken om te bezien hoe het met de privacy zit. Vragen als wie het DNA-materiaal gaat beheren en hoe en wanneer het wordt vernietigd moeten nog worden beantwoord. Op één punt lijkt Korthals in elk geval geen problemen te krijgen: het nemo tenetur-beginsel. Bij het gedwongen afnemen van lichaamsmateriaal zou kunnen worden gesteld dat een verdachte ongewild aan zijn eigen veroordeling meewerkt. In dit geval gaat het om DNA dat gevonden is op de plek van de misdaad.