Winkelen

Ik haastte me om mijn boodschappen te halen, want het was akelig weer. Striemende regen en een wind die je bijna omverblies. Iedereen haastte zich – diep voorovergebogen omdat paraplu's niet meer hanteerbaar waren – om snel de plichten te vervullen die de dag nog bood en dan thuis voor de televisie te kruipen om te zien welke schade het noodweer elders in het land had aangericht, zodat de eigen ervaringen in een breder kader konden worden geplaatst.

Toch niet iedereen, zag ik uit een ooghoek. Op de hoek voor de supermarkt heeft een klein restaurant een terrasje buiten met een bank en een paar tafeltjes. De klanten waren weggespoeld, over de bank en de tafels stroomde water en op de bank lag een Somaliër te slapen. Dat was geen prettig gezicht.

Gek eigenlijk dat je zo iemand meteen als een Somaliër herkent. Er zijn weinig volken die zulke herkenbare gezichten hebben. Sommige Ieren misschien en verder heb ik een Russische vriend die zegt dat hij alle joden kan herkennen, al komen ze uit China, maar dat geloof ik niet erg.

Sommige Nederlanders laten zich ook makkelijk duiden, met een rechthoekig, wat vlezig gezicht, kort geknipt en glad geschoren, vertegenwoordiger van een provinciale maar internationaal opererende fabriek van landbouwwerktuigen. Die gaat naar Amsterdam, denk je op het vliegveld, en dat klopt dan.

Toch zijn de Somaliërs herkenbaarder. Ik heb de wat ouderwetse neiging om hun gezichten als mooi of zelfs nobel te interpreteren. Het ligt voor de hand om te denken dat dit een racistisch trekje van me is. Ze zijn donker, maar de vorm van hun gezicht is eerder Europees dan Afrikaans. Dat onverwachte Europese vindt de racist natuurlijk mooi.

Kwaadwillige lezer, bedenk dat de meest voor de hand liggende verklaring niet altijd de juiste is. Ik heb zelf een verklaring die ingewikkelder en interessanter is, maar daar gaat het nu niet om.

Stefan Themerson had de theorie dat de gezichten die wij mooi en nobel vinden in feite de gezichten van de grootste schurken uit de geschiedenis zijn. Het waren de machthebbers die zich door de beste schilders konden laten portretteren en door die prachtige schilderijen zijn wij hun akelige tronies gaan zien als voorbeelden van een nobel gelaat. Die theorie klopt niet erg met hoe ik de Somalische gezichten zie.

Maar goed, waar was ik ook weer? Bij die bank nog steeds, in het noodweer. Ik had de gulden voor het supermarktkarretje in een jaszak apart gehouden en legde die op een tafeltje, een snel en impulsief gebaar, zoals een ander misschien snel een kruis zou slaan bij het zien van onheil.

De man op de bank bewoog, hij leek wakker te worden. Ik liep snel door, niet alleen omdat het zo hard waaide en regende, maar ook omdat ik weinig voelde voor menselijk contact. Misschien zou hij boos zijn. ,,Wat denkt u wel, dat ik een bedelaar ben? Wat zou u er van vinden als ik een gulden bij u op tafel kwam leggen, als u thuis lag te slapen?''

Omdat ik mijn gulden kwijt was moest ik het met een mandje doen in plaats van met een karretje. Ik zou natuurlijk om een nieuwe gulden kunnen vragen, maar dat wilde ik niet.

,,Heeft u misschien een gulden voor me?'' ,,Ja hoor mijnheer, en heeft u dan een bonuskaart?'' ,,Zeker wel mevrouw, en nu we toch zo gezellig in gesprek zijn, mag ik van u dan van de kristalzegels het 24-delig tafelservies?''

Zulke conversaties kunnen me gestolen worden. In de supermarkt hoor je als een zombie stil door de schappen te lopen en niet te doen alsof je in een knusse buurtwinkel bent of op een sociëteit.

Het mandje maakte het winkelen trouwens veel simpeler dan zo'n kar, die bestemd lijkt voor de reisvoorraad van een gezin van landverhuizers.

Het waaide en regende nog steeds met onverminderde kracht. Ik ging terug naar huis, maar nu aan de overkant van de straat. Misschien had de man op de bank me wel gezien toen hij wakker werd en als hij me nu weer voorbij zou zien lopen, zou het lijken of ik meende dat ik me voor een gulden een onbeperkt kijkrecht had verworven.

Hij was nog steeds op de bank, maar nu zat hij rechtop, drijfnat en met een blik van grote verbazing. Moest ik niet iets doen om hem te helpen? Jawel, maar ik deed het niet.

Wat ik wel deed, was thuis kijken wat de encyclopedie over Somalië had te vertellen. Er stond: ,,De Somali zijn overtuigde aanhangers van de Islam of van wat ze hier voor houden. Hun kennis er van is tamelijk gebrekkig.''

Curieus. Dit deel van mijn encyclopedie was in 1953 uitgekomen. Tegenwoordig zou men er waarschijnlijk voor terugdeinzen om een heel volk van gebrekkige kennis van de islam te betichten.

Er stond geen naam onder het artikel, wat betekende dat het niet door een vooraanstaand expert op het gebied van Somalië of van de islam geschreven was. Het moest een van de redacteuren zelf zijn geweest, een hobbyist die zich er altijd al aan had geërgerd dat de Somaliërs van de islam een potje maakten en nu de kans schoon zag om hun er in zijn encyclopedie eens flink van langs te geven vanwege hun gebrekkige kennis.

Wie zou die hobbyist zijn? Bij de hoofdredacteuren van de encyclopedie stond Mr. G.B.J. Hiltermann genoemd. Die zou het kunnen zijn. Weliswaar geen echte islamexpert, maar wel iemand die overal verstand van had en niet bang was om frank en vrij zijn gedecideerde mening te geven. Je hoorde het hem bijna zeggen met zijn gezaghebbende radiostem: ,,Hun kennis er van is tamelijk gebrekkig.''

En eerlijk gezegd, het kwam me wel goed uit om dat akelige tafereel van die man op de bank, nat en met verbaasde blik, geslagen door wind en regen, in mijn verzachtende verbeelding nu een beetje anders te kunnen zien, alsof zijn verbazing was voortgekomen uit het plotselinge inzicht dat zijn gebrekkige kennis van de islam niet door de beugel van Mr. G.B.J. Hiltermann zou kunnen, ja, zo had hij er uit gezien, besloot ik.