Onduidelijkheid over rol VN

Over de vraag of de VN Nederland bijstand zou verlenen als `Dutchbat' in Srebrenica in het nauw zou komen, worden voor de commissie-Bakker tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

Had Nederland in 1994 nu wel of geen toezegging van de Verenigde Naties dat er bommen zouden vallen als de Nederlandse militairen in Srebrenica gevaar liepen? De parlementaire commissie-Bakker, die de deelname van Nederlandse militairen aan vredesmissies onderzoekt, probeert op die vraag een antwoord te vinden. Dat valt niet mee.

Het kabinet-Lubbers ging er in januari 1994 ten onrechte van uit dat die luchtsteun er zou komen als het nodig was. Dat bleek gisteren uit de getuigenis van topdiplomaat Niek Biegman. Biegman, in die tijd permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de VN, was op 19 en 20 januari 1994 bij een ontmoeting van Nederlandse bewindslieden met VN-secretaris-generaal Boutros Ghali.

Oud-premier Lubbers en de oud-ministers Kooijmans (Buitenlandse Zaken) en Ter Beek (Defensie) zeiden vorige week tegen de commissie dat er, na enig aandringen, tijdens dat bezoek uiteindelijk een garantie van luchtsteun was gegeven. Biegman citeerde een codebericht van Buitenlandse Zaken aan de VN-ambassadeur in New York, waaruit bleek dat die harde toezegging er toch niet was. ,,Boutros heeft gezegd dat hij van de Russen niet mocht instemmen vóór consultatie van de Veiligheidsraad'', zei Biegman. De luchtsteungarantie was cruciaal voor het besluit Nederlandse VN-militairen naar Srebrenica te sturen. In de zomer van 1995 werd de `veilige' moslim-enclave aangevallen door Bosnisch-Servische troepen. Luchtsteun van de Navo bleef uit.

Volgens Biegman kòn Boutros Ghali de luchtsteun ook niet garanderen. De Russen herinnerden de secretaris-generaal er voortdurend aan dat alleen bommenwerpers ingezet konden worden na raadpleging van de VN-Veiligheidsraad. Rusland heeft als permanent lid van de raad een vetorecht. ,,Ruslands hoogste VN-vertegenwoordiger liet me in die dagen een brief van zijn regering zien waarin stond dat Boutros Ghali daarover geen zelfstandige beslissingen mocht nemen'', zei Biegman. Dat gold volgens Biegman niet alleen voor de zogenoemde air strikes waarbij Servische doelen in heel Bosnië zouden worden aangevallen, maar ook voor de close air support die zich richtte op de directe verdediging van veilige gebieden zoals Srebrenica. Lubbers, Kooijmans en Ter Beek zeiden vorige week dat zij er, na de ontmoeting met Boutros Ghali, op rekenden dat consultatie van de Veiligheidsraad alleen nodig was voor de air strikes. Over close air support zou, dachten zij, de VN-commandant in Bosnië direct kunnen beslissen, in overleg met de Navo.

,,Ik heb nimmer de indruk gekregen dat Boutros Ghali toen een garantie voor luchtsteun heeft afgegeven'', aldus Biegman. Ook een brief die Boutros Ghali een week later aan de Veiligheidsraad schreef over de luchtsteun voor de VN-troepen in Bosnië kan volgens Biegman niet als garantie worden uitgelegd. De drie oud-bewindslieden deden dat vorige week tegenover de commissie-Bakker wel. Het bleef gisteren onduidelijk of de topdiplomaat deze mening ook zo helder heeft geformuleerd in gesprekken met bewindslieden.

Biegman is op dit moment permanent vertegenwoordiger bij de NAVO. Op 1 oktober 1998 gaf hij in de NAVO-raad, zonder voorbehoud, toestemming voor de inzet van F-16 vliegtuigen voor latere bombardementen op Joegoslavië. Biegman had daarvoor instructies gekregen van minister Jozias van Aartsen (Buitenlandse Zaken). Een dag later legden Van Aartsen en zijn collega van Defensie, Frank de Grave, de ministerraad de schriftelijke mededeling voor dat ,,Nederland heeft ingestemd met de Acitivation Request'. Op basis van zo'n besluit kan de NAVO-bevelhebber materieel vorderen bij de lidstaten. Bij de commissie-Bakker leeft de indruk dat veel van de bewindslieden niet doorhadden dat ze op dat moment toestemming gaven voor de luchtacties. Op de vraag waarom niet een voorbehoud is gemaakt, wat gebruikelijk is bij dergelijke beslissingen, zei Biegman: ,,Ik heb me te houden aan mijn instructies. Ik heb geen reden harder te lopen dan de Nederlandse regering.''

Morgen hoort de commissie-Bakker oud-minister van Defensie, Joris Voorhoeve. Voorhoeve zit in een lastige positie omdat in de Tweede Kamer twijfel is ontstaan of hij de Kamer in 1997 wel juist heeft geïnformeerd over het zenden van troepen naar Cyprus. ,,Als ik het voorzichtig mag zeggen: het was op het randje'', zei topambtenaar Toine van Dongen van Buitenlandse Zaken gisteren. Hij doelde op het antwoord van Voorhoeve op Kamervragen. Op 12 november 1997 meldde Voorhoeve dat deelname aan de vredesmissie in Cyprus ,,niet aan de orde'' was. Maar volgens Van Dongen had Voorhoeve toen al toestemming gegeven en twijfelde alleen de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Hans van Mierlo nog.

DOSSIER SREBRENICA www.nrc.nl

    • Petra de Koning
    • Cees Banning