Monarchie

In zijn column van 5 mei over het denken in reformatorische kring over de monarchie, maakte de heer Heldring melding van de trits: God, Vaderland, Oranje. Ik moge erop opmerkzaam maken, dat in mijn jeugd in de gereformeerde kerken ook in oorlogstijd, altijd werd gebeden voor ,,onze geliefde vorstin, opdat het drievoudig snoer God, Nederland en Oranje nimmer verbroken worde''.

Er is verschil tussen bidden voor `het Vaderland' en `Nederland'. Aan het begrip vaderland kleeft een zweem van nationalisme en het was in de oorlog wel wat besmet, door het veelvuldig gebruik dat de NSB ervan maakte. Tevens was voor ons Friezen, Friesland het Heitelân (vaderland) en dat werd in dit gebed niet bedoeld. Er werd hier expliciet gebeden voor Nederland, zoals het in de geschiedenis is ontstaan uit de strijd tegen de Spaanse tirannie. In dat drievoudig snoer mochten wij de Hand Gods in de geschiedenis zien. Zoals God David had geroepen om het uitverkoren volk Israel te leiden, zo had hij Oranje geroepen om in de Nederlandse gewesten leiding te geven aan de strijd voor het handhaven der vrijheden en met name het verdedigen van de `ware religie', het calvinisme, dat daardoor ook geworden is tot de grondtoon van ons volkskarakter. Uit de waardering die Groen van Prinsterer had voor `staatslieden van den eersten rang' als Oldenbarnevelt en Jan de Witt (Ned. Gedachten 17.2.1874) blijkt wel, dat hij de monarchie niet aanhing uit principe, maar slechts aanvaardde.