`E-commerce' kan niet zonder asfalt

Anders dan Lennart Booij en Arnold Heertje beweren, kan de nieuwe economie alleen tot bloei komen in combinatie met de `oude' infrastructuur. Een zinnige discussie over ruimtelijke ordening moet wel uitgaan van de feiten, vindt J. Winters.

In hun artikel in NRC Handelsblad van 18 mei stellen Arnold Heertje en Lennart Booij dat politici nauwelijks oog hebben voor kansen die de `nieuwe economie' biedt om natuur en milieu te sparen. Helaas geeft het door de auteurs geschetste beeld een volkomen eenzijdige – en op onderdelen onjuiste – voorstelling van zaken. Heertje en Booij beseffen niet dat uitsluitend de combinatie van investeringen in `harde' en `zachte' infrastructuur door de overheid en door het bedrijfsleven, bijdraagt aan een gunstige ontwikkeling van Nederland op lange termijn.

Ten onrechte wordt gesuggereerd dat de accenten binnen het ruimtelijkeordeningsbeleid te sterk liggen op wonen en werken, waardoor duurzame `groene' ontwikkeling zou worden veronachtzaamd. Sinds 1990 is het natuurbeleid gericht op de realisatie van een samenhangend netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. Deze aanpak is succesvol en maakt het mogelijk om in het nieuwe natuurbeleid ook de wensen van de gebruikers van onze natuur centraal te stellen. Daarnaast geldt dat grote investeringsprojecten tevens voorzien in de aanleg van compensatieprojecten, die gericht zijn op het handhaven of verbeteren van de leefbaarheid in die gebieden waar de projecten ontwikkeld worden.

`Harde' infrastructuur kan volgens de auteurs voor een aanzienlijk deel worden vervangen door ICT. Die constatering is juist. Maar de recente geschiedenis toont overduidelijk aan dat er geen signalen zijn, die wijzen op een duidelijk causaal verband tussen thuiswerken en verminderde congestie op de Nederlandse wegen. Integendeel: met de grootschalige introductie van het `online-zijn' van de dienstverlenende werknemer, is het aantal files uitsluitend toegenomen. Onderzoeken wijzen uit dat het sociale aspect van de – periodieke – aanwezigheid `op kantoor' voor veel werknemers belangrijk is en dat dat ook zo zal blijven.

Booij en Heertje stellen dat informatietechnologie de fysieke distributie ingrijpend verandert en `de prijzen van kwalitatief steeds betere goederen verlaagt'. Dat de fysieke distributie verandert staat vast. Of hierdoor de behoefte aan `harde infrastructuur' zal afnemen, is echter de vraag. Immers: de wereldwijd on-line bestelde goederen zullen naar hun bestemming getransporteerd moeten worden. Het is niet onwaarschijnlijk dat hierdoor de behoefte aan vrachtvervoer de komende jaren juist toe zal nemen, met name waar het componenten- en containertransport betreft.

Inspanningen om op dit gebied een leidende positie op de Europese markt te bedingen, kunnen zeer goed aansluiten bij de structuur van de `nieuwe' economie. De auteurs wekken de suggestie dat de publieke bestuurders geen oog hebben voor de nieuwe economie. Indien zij bedoelen dat van rijkswege te weinig wordt geïnvesteerd in ontwikkeling en implementatie van ICT, dan moet benadrukt worden dat de rijksoverheid in deze vooral een faciliterende rol heeft. De feitelijke investeringen moeten vooral vanuit het bedrijfsleven komen.

Er is op dit vlak overigens geen aanleiding tot ongerustheid. Uit recentelijk uitgevoerd onderzoek van The Economist Intelligence Unit blijkt dat Nederland, na de Scandinavische landen, het meest `e-business ready' is in Europa. Uit onderzoek van de OESO blijkt voorts dat de uitgaven aan ICT als percentage van het bruto binnenlands product duidelijk boven het OESO-gemiddelde liggen.

De constatering dat als gevolg van ICT prijsverlaging van kwalitatief steeds betere goederen op kan treden, is de positieve kant van een medaille die echter ook een keerzijde heeft. Als wereldwijd volledige mededinging optreedt, op basis van prijsconcurrentie van kwalitatief gelijkwaardige goederen, dan kan, vooral in de minder welvarende landen, de aandacht voor milieuvriendelijke productie nogal eens afnemen. Ook de omstandigheden waaronder werknemers in deze landen de producten moeten maken, gaan er in zo'n klimaat doorgaans niet op vooruit. Het zicht op een `innoverende en humane samenleving' zal vermoedelijk niet wereldwijd zijn.

Een sterke contradictio in terminis creëren Booij en Heertje door te stellen dat `de aanwezigheid van groene ruimte door internetondernemers als pluspunt voor vestiging wordt gezien'. Een analyse van het ruimtegebruik van enkele technology parks als Silicon Valley in München, Sophia-Antipolis bij Nîmes in Frankrijk, of bij Cambridge in Engeland, toont aan dat inderdaad sprake is van een `groene omgeving', maar dat de `floor to area'-ratio bijzonder laag is. Hierdoor wordt naar verhouding een groot beroep gedaan op grondoppervlak. Dat zullen de auteurs, die eerder stellen dat er roofbouw op de schaarse vrije vierkante meters in Nederland wordt gepleegd, toch vermoedelijk geenszins toejuichen.

Het meest opvallende aan het artikel is echter de volstrekt eenzijdige benadering van de allocatie van ruimte. Bewonerspreferenties en consumptiepatronen worden sterk onderbelicht. De auteurs lijken niet te beseffen dat in Nederland al geruime tijd sprake is van `kwalitatieve woningnood'. Uit elk woningmarktonderzoek blijkt dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking prijs stelt op een ruime woning met groen om het huis in de vorm van een voor- of achtertuin. Een zinvolle discussie met betrekking tot het allocatievraagstuk, waarbij zowel natuurorganisaties, bewoners als bedrijven een beroep doen op schaarse ruimte, is gebaat bij een zorgvuldige afweging van deze verschillende belangen.

De auteurs trachtten ideeën over de toekomstige balans tussen de `oude' en de `nieuwe' economie te vervlechten met een beschouwing over de ruimtelijke en infrastructurele ontwikkeling van Nederland. Een zinvolle discussie over beide onderwerpen kan echter uitsluitend gevoerd worden op basis van redelijke argumenten, die feitelijk kunnen worden onderbouwd. Helaas voorzien Booij en Heertje hier niet in.

J. Winters is adviseur op het gebied van vastgoed en ruimtelijke ontwikkeling.

    • J. Winters