De Appel

In zijn artikel `Kunstwereld moet geldruif niet willen' (NRC Handelsblad, 20 mei) geeft Arjo Klamer een indrukwekkende opsomming van de gênante aspecten die kleven aan het gedrang om de subsidiepot voor de kunstensector.

Helaas is zijn litanie niet altijd op kennis van zaken geënt: ,,Het is gênant dat De Appel er pardoes mee ophoudt omdat ze haar subsidie dreigt mis te lopen'', concludeert de professor. Ik neem aan dat hij daarmee doelt op het recente besluit van De Appel om een bepaalde productie niet uit te brengen. Deze beslissing is door het gezelschap op artistieke gronden genomen en viel helaas samen met het moment waarop het advies van de Raad voor Cultuur van de persen rolde. Dat samenstellers en spelers van dit `gezelschapsproject' uiteindelijk tot de slotsom kwamen dat het product niet aan de gestelde verwachtingen voldeed, is een bewijs van artistieke moed, zulks temeer wanneer een dergelijke beslissing op een zo ongelukkig moment moet worden genomen.

De Appel toont hiermee aan dat het `de durf heeft onafhankelijk te zijn van de overheid, een eigen visie heeft en zich sterk maakt voor de kunst'. Het conformeert zich daarmee aan de adviezen die Klamer aan het slot van zijn overigens weldoortimmerd betoog aan de kunstenaars meegeeft.