Scholen `matsen' allochtone leerling bij toets

De onderwijsinspectie constateert verschillen tussen resultaten voor schoolonderzoeken en het eindexamen. ,,Scholen proberen de kinderen linksom of rechtsom te helpen.''

Meisjes, allochtonen en trage leerlingen die voor hun schoolonderzoeken hogere cijfers halen dan voor het landelijke eindexamen van het Cito. Leraren die de vragen voor het schoolonderzoek in hun eentje bedenken, afnemen en beoordelen. Die vragen opstellen die niet deugen, of die niet aansluiten bij de lesstof. Kritiek van de Inspectie van het onderwijs, vorige maand in het jaarlijkse Onderwijsverslag.

De verschillen zijn te vinden bij alle vormen van onderwijs, van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) tot gymnasium. Bij niet-westerse allochtonen is het verschil tussen het cijfer voor het schoolonderzoek en het eindexamen soms een halve punt, bij meisjes en trage leerlingen scheelt het 0,1 tot 0,2 punt. Te veel, vindt de inspectie. De schoolonderzoeken van dit jaar zijn net voorbij, de leerlingen op alle middelbare scholen doen nu het landelijk examen, in juni komen de eindcijfers. Hoofd van de onderwijsinspectie Ferdinand Mertens kondigde dit jaar aan extra streng te gaan opletten of die verschillen er weer zijn en wat daarvoor dan de reden is.

Dát het gebeurt vindt Hendrik van Hoogmoed, lid van het college van bestuur van onderwijsgroep de Landstede in Zwolle niet gek. ,,Allochtonen zouden gematst worden bij het schoolonderzoek, en door de mand vallen bij het examen? Dat zou zo maar kunnen.''

En waarom het gebeurt, daar kan onderwijsdeskundige Zeki Arslan van multicultureel expertisecentrum Forum kort over zijn. ,,Als je er met een half puntje extra voor kan zorgen dat een allochtone leerling de eindstreep haalt, dan doe je dat. Ik ben zelf leraar geweest, ik heb zelf ook wel eens een leerling het voordeel van de twijfel gegeven. En ik heb daar geen spijt van. Maar daarmee zeg ik niet dat het de meest wijze manier is om een groot probleem op te lossen.'' Meer dan 60 procent van de allochtonen volgt voorbereidend en middelbaar beroepsonderwijs. Op het vbo valt al 25 tot 30 procent van die leerlingen af. Het mbo is een slagveld. Daar haakt 60 procent van de allochtonen halverwege af. Arslan: ,,Scholen proberen de kinderen linksom of rechtsom te helpen.''

Van Hoogmoed: ,,Het Cito reduceert een examen tot een meting van kennis en vaardigheid, zij willen het individuele uit de examens wegschrijven. Ik vind dat een examencijfer ook een beeld moet geven van de groeimogelijkheden van een leerling.'' Van Hoogmoed vraagt zich af hoe `culture fair' de landelijke standaardexamens zijn. ,,Bij een schoolonderzoek Nederlandse leesvaardigheid mavo, waarbij je met een leerling praat over de boeken die hij heeft gelezen, hou je er rekening mee dat Nederlandse boeken lezen voor een allochtoon heel wat anders is. Natuurlijk hou je daar rekening mee bij de beoordeling, maar dat is geen bevoordeling.''

En nog iets, vinden Van Hoogmoed en Arslan: de landelijke examens zijn vaak veel te `talig'. Lange vragen, onnodig ingewikkeld geformuleerd. ,,Dat zou ook een reden kunnen zijn waarom juist allochtonen slechter presteren op het examen.'' Bij schoolonderzoeken mogen allochtone leerlingen vaak een woordenboek Nederlands bij het examen gebruiken. Arslan: ,,Als ze dat ene woord kunnen opzoeken, beantwoorden ze de vraag misschien wél goed. Dat motiveert.''

Want hoe motiverend is het voor een leerling als zijn slechtste vak de maat is voor het niveau waarop hij eindexamen mag doen? Neem een allochtone leerling in de tweede klas van het vbo. Als hij alle vakken op b-niveau kan, alleen Nederlands lastig vindt en niet hoger haalt dan het a-niveau, moet hij in alle vakken op het a-niveau examen doen. Hoe verleidelijk is het dan om zo'n leerling toch het b-niveau te laten doen, en hem bij het eindexamen twee jaar later voor dat ene vak, Nederlands, te matsen?

Het kan ook anders. Het Thomas à Kempiscollege in Zwolle is een van de weinige vbo/mavoscholen in Nederland waar leerlingen op verschillende niveaus eindexamen kunnen doen. Leerlingen van het vbo kiezen niet na de tweede maar pas na de derde klas hun examenniveau: ze kiezen óf het a/b óf het b/c niveau. Yousef Qazzar (16), vbo metaalbewerking, heeft net voor de tweede keer dit jaar natuurkunde-examen gedaan. En a én b. Dat doet hij zo voor alle vakken. Voor allebei de niveaus had hij een goed schoolonderzoekcijfer, hij moet nu voor elk een 4,7 halen om een 6 te staan.

In juni, als alle cijfers binnen zijn, gaat decaan Frans Groothuis aan het rekenen. ,,Een eindeloos gepuzzel. Eerst kijken we of een leerling op het hoogste niveau geslaagd is. Zo niet dan kijken we naar de vakken die nodig zijn voor de vervolgopleiding. Iemand kan wel op vier of vijf manieren met verschillende cijfers en niveaus slagen.''

Op zijn school zijn er geen verschillen tussen de schoolonderzoeken en de examens, zegt hij. Leraar natuurkunde Eddy Ramerman maakte twee van de drie schoolonderzoeken zelf, samen met decaan en natuurkundeleraar Groothuis. Voor het practicum kozen ze uit een van de practica-opdrachten van het Cito. En als er al verschillen zijn, zegt Groothuis, dan scheelt het ,,hooguit een puntje.'' Volgens Yousef was het examen natuurkunde zelfs makkelijker dan het schoolonderzoek.

Stefan Kolling (16), metaalbewerking, doet ook alles op a- en b-niveau. ,,Als ik het hoogste niveau niet heb gehaald, ben ik toch geslaagd.'' Hij kan dan niet naar zijn vervolgopleiding, de Stork bedrijfsschool, want die vragen het b-niveau. ,,Dan moet ik het volgend jaar weer proberen. Als ik dat nou echt niet zie zitten, heb ik in elk geval een diploma op a-niveau.''

Monique Peters (16), consumptieve techniek, doet alleen maatschappijleer op b-niveau. De decaan: ,,Het is heel gek, maar al staat er op het diploma maar één vak met een hoger niveau, dan zijn ze trots. Alleen Frank Koelewijn kijkt wel link uit. Twee keer examen doen op twee niveaus? ,,Waarom zou ik moeilijk doen als het ook makkelijk kan.''

    • Rinskje Koelewijn