Oma's theelepel

De lepel die op het ogenblik naast mijn toetsenbord ligt, kan ik eigenlijk niet goed zien. Het is de theelepel die mijn grootmoeder altijd gebruikte. Hij is van zilver, versleten, en heeft een diep ,,bakje'' zoals ingewijden het noemen. De steel is onhandig gerepareerd. Hij is versierd met minuscule ranken en bloemen, een trofee-achtig motief op het blad, en hij moet nodig worden gepoetst – maar dat kan hij niet helpen, dat ligt aan mij.

Het gevoel, die lepel nooit helemaal goed voor het objectief van mijn oog te kunnen krijgen, hem niet scherp te zien, komt doordat hij me even vertrouwd is als mijn eigen pink. Misschien is het wel een mooi ding, maar ik kan het niet beoordelen. Voor mij is het pure herinnering, vijftien gram herinnering, twaalfeneenhalve centimeter herinnering. Hij woont hier, bij de andere theelepels, en als mijn moeder toevallig op bezoek is zegt ze: hee, Oma's theelepel, wat grappig, heb jij die?

Die ogenschijnlijk onschuldige lepel heeft ook iets onheilspellends. Hij is namelijk de voorhoede van een onafzienbaar legioen aan spullen – niet alleen van mijn grootouders, maar overal vandaan, van het hele leven – waarvan ik weet dat het me op een dag onder de voet kan lopen.

Als je twintig bent en al je bezittingen passen in een rugzak, besef je zoiets niet. Toen ik een tiener was had ik een doos met papieren, gedroogde roosjes en wat voorwerpen waarop stond: Souvenirs. Nu is mijn huis mijn doos geworden, en ben ik oud genoeg om een beklemmende bijkomstigheid van het leven te zien opdoemen: spullen. Spullen waarover je beslissingen moet nemen als je (wat god verhoede) ooit verhuist. Je hoeft niet eens van ze te houden, zoals ik van die lepel, maar ze zijn er, en ze gaan niet vanzelf weg.

Ja, gingen ze maar weg. De onnutte kampeerpannenset in de grote kast, nog als nieuw. De zware stapel fotokopieën, gemaakt ten behoeve van een nooit geschreven boek. De oude Leidse dekens (wie dekens weggooit, gooit ook honden uit de auto.)

Het ergste zijn de dingen die wel betekenis hebben, maar vooral voor jezelf. Ooit moeten zij nieuwe tehuizen krijgen, een mens heeft niet het eeuwige leven. Wie past er op Oma's oude theelepel als er niemand meer is die zich haarzelf herinnert? Er zijn mensen die een groot deel van hun tijd besteden aan het zoeken van nieuwe baasjes voor hun oude spullen.

Zoals het echtpaar waar ik laatst was. Aardige bejaarden in een ouderwetse villa, die mij ongevraagd vertelden dat zij geen verveling kenden. Via-via hadden ze mij weten te vinden, omdat ze me een oud boek wilden schenken waarvan zij, op grond van iets dat ik geschreven had, meenden dat het me zou interesseren. Terecht; ik was erg blij met hun attentie. Maar terwijl ik daar zat, werd allengs duidelijk dat het boek slechts een druppel uit een zee was, een zee van even interessante als nutteloze spullen, waarvoor die mensen met zorg bestemmingen zochten omdat zij ze, zoals dat heet, tenslotte niet mee konden nemen. Dat vulde nu hun dagen.

En ik zei maar niet: lieve bejaarden, láát het toch, laat je kinderen de boel verpatsen of weggooien, maak het jezelf niet zo moeilijk, want het heeft toch geen zin, straks ben je dood, en dacht je dat mijn nageslacht jullie boek nog zal koesteren? Mijn weldoeners droomden er nu eenmaal van de boel netjes achter te laten, alsof ergens zo'n briefje hing als je wel eens op wc's ziet: gelieve dit ondermaanse in dezelfde toestand achter te laten als u het aantrof. Er is altijd iemand die op zo'n briefje kabbelt: of netter!

Zinloos. Het ondermaanse is een ontzettende zooi, altijd geweest. En toch houden inspanningen om orde te scheppen menigeen op de been. Mij ook wel; zo ben ik trots dat ik tenminste onze gezinsfoto's regelmatig in albums plak, voorzien van bijschriften, zodat iedere vakantie als het ware een tweede leven krijgt. Maar in het licht van de eeuwigheid maken een, twee of drie levens geen verschil.

Ach, wat kan het mij ook eigenlijk schelen, wat er later met die stomme lepel gebeurt.