Kunstenaars over de rol van de markt

Op het congres Kunsten '92 werd de veranderende rol van kunst in de samenleving tegen het licht gehouden. Oude normen maken in de kunstwereld in hoog tempo plaats voor nieuwe.

Staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) en zijn adviseur, de Raad voor Cultuur, speelden een opmerkelijk bescheiden rol op het congres Heden/Toekomst, afgelopen vrijdag in de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Doel van het congres was dan ook, aldus het organiserende Kunsten '92, om als kunstsector eigen prioriteiten te formuleren, en minder te reageren op de prioriteiten van de politiek. Kunsten '92 behartigt de belangen van de kunstsector en doet dat vooral met pogingen de politieke besluitvorming te beïnvloeden, en met terugkerende verzoeken om meer geld voor de kunsten. Bij dit congres was de inzet van de lobbyclub minder praktisch van aard: wat zijn de dilemma's in de kunsten, nu en in de nabije toekomst?

De rol van kunst in de samenleving is aan het veranderen, en binnen de kunsten maken oude normen plaats voor nieuwe. Dat zegt het Walter Maas Huis, verantwoordelijk voor de inhoudelijke voorbereiding van het congres. Zo is de er de opmars van kunstenaars in andere sectoren van de samenleving, waarbij het onderscheid tussen autonome en toegepaste kunst vervalt. Niet alleen media, mode, reclame en design profileren zich graag als kunst, ook het bedrijfsleven heeft de meerwaarde van het artistieke denken ontdekt. Kunstenaars geven cursussen intuïtief ondernemen, worden gevraagd een bedrijf door te lichten of ontwerpen een reclamecampagne.

Voorbij is de tijd van de eenzame kunstenaar die iets creëerde en vervolgens ging kijken of iemand er belangstelling voor had. De jonge collectieven van nu gaan pas aan de slag als ze zeker weten dat hun werk wordt afgenomen. En dat werk bestaat steeds minder uit een product, steeds meer uit een proces, een werkwijze. Met de opkomst van nieuwe (re)productiemethoden, mogelijk gemaakt door nieuwe media, verliezen oude begrippen als `authenticiteit' en `originaliteit' hun waarde. Een begrip als `autonoom' hoort bij de Romantiek en heeft z'n tijd wellicht gehad, suggereerde literatuurcriticus Arnold Heumakers.

Optimisten wonnen van sceptici bij het bespreken van deze `esthetisering van de samenleving'. De verruiming van het werkterrein werd met enthousiasme begroet. Van artistieke concessies hoeft geen sprake te zijn, aldus de optimisten, want een opdracht van het bedrijfsleven biedt paradoxaal genoeg meer vrijheid dan subsidie van de overheid. In Nederland betekent `autonoom' gesubsidieerd, vrijgesteld; in Amerika betekent het juist niet-gesubsidieerd, onafhankelijk. Overname van de Amerikaanse opvatting lijkt een kwestie van tijd.

Een andere werkgroep boog zich over de keerzijde van deze ontwikkeling: `de economisering van de kunsten'. Ook al krijgen kunstenaars steeds meer banden met andere partijen dan de overheid, het marktmechanisme kan niet klakkeloos worden toegepast. De productie van kunst is te complex voor de wet van vraag en aanbod.

De deelnemers aan het congres werden het niet eens over de vraag of de kunst juist wel of juist niet het economisch jargon moet overnemen. Ook al was men enthousiast over de nieuwe mogelijkheden, niet elke congresganger wenste ,,zijn product op de markt te positioneren''. Hoedt u voor het jargon, sprak filosoof Joop Doorman in zijn dagsluiting, want `met die zelf verzonnen taal ontstaat een beeld waar u zelf in gaat geloven.'

    • Mark Duursma