`In tranen lost olie niet op, wel in zweet'

Op 12 december vorig jaar verging de olietanker Erika voor de kust van Bretagne. 13.000 ton olie besmeurde de befaamde Bretons kust. Het is de vraag of de stranden schoon zullen zijn voor het nieuwe toeristenseizoen.

In het uitgewoonde kantoortje van Bretagne Vivante hangt een poster van een met olie besmeurde vogel aan de wand. ,,Nu trekt zo'n beeld de aandacht'', zegt Rémy Gautron schamper. ,,Maar het publiek realiseert zich niet, dat wij al sinds tijden en het hele jaar door zulke vogels hier binnenkrijgen. Slachtoffers van de chronische vervuiling van de zee. Het enige verschil is, dat het er nu zestigduizend in één keer waren.'' En hij zucht: ,,Hadden er maar een paar zeemeeuwen tussen gezeten in plaats van de jonge zeekoeten, waarvan we er toch al zo weinig hadden.''

Gautron – halflang grijs haar, T-shirt, spijkerbroek – is naar eigen zeggen ,,heus geen halfzachte écolo'', milieufreak, maar hij windt zich wel op. Tweeëntwintig jaar geleden heeft hij nog meegeholpen om de rotzooi uit de Amoco-Cadiz van de roze-granieten kust van Finistère, het meest westelijke deel van Bretagne, af te schrapen, en nu dit weer. Het gaat deze keer om 13.000 ton, de vogels komen ook dit wel weer te boven. Maar ,,ze'' moeten ophouden met liegen. De burgemeesters en de hoteleigenaars moeten gewoon eerlijk zeggen, dat er dit jaar beter niet gezonnebaad kan worden op de stranden van de Côte Sauvage, maar dat fietsen en wandelen en lekker eten geen probleem zijn.

En het rampenplan Polmar, pollution maritime? Vrachtwagens dumpten het afval kort na de olieramp hier verderop, in het bos. Dan hoef je er alleen maar op te wachten dat het met de afwatering weer linea recta terugloopt naar de kust. Gautron heeft er in het bijzijn van de pers tegen geprotesteerd, de volgende dag was het afgelopen en werd alles naar de afvalverwerkingsplaats in Donges gereden.

La marée noire, ,,het zwarte tij'', dat sinds de schipbreuk van de olietanker Erika op 12 december vorig jaar, ten noordwesten van Belle-Île, de prachtige kust van Zuid-Bretagne heeft vervuild, is ,,om te huilen''. Daarover zijn alle inwoners van badplaats La Baule en de aangrenzende gemeenten Le Croisic en Le Pouliguen het eens. De Malguids, eigenaars van Hotel La Concorde, zeggen het, kokkelkweker Benoit Bonnel zegt het, Gérald Bosio, voorzitter van de Vereniging van Winkeliers en Industriëlen, zegt het ook, Damien Dejoie, van het toeristenbureau, de bakker, de dame van de kiosk, de 65-plussers die hoofdschuddend naar de schoonmaakwerkzaamheden langs de Boulevard des Mauves staan te kijken – iedereen zegt het: ,,Om te huilen.''

Maar voor het overige heerst de schizofrenie, zoals ook winkeliersvoorzitter Bosio toegeeft. ,,Komt u maar oesters eten'', had hij uitdagend gezegd, om vervolgens boven de éclaires en de kabeljauw uit te vallen tegen ,,het kleine maar in de media dominante aantal milieufreaks''. ,,Bretagne is schoon en wordt nog schoner, de psychose is nu de vervuiler. Zelfs in Noord-Bretagne en in de Bordeaux-streek, waar niets aan de hand is, lopen de reserveringen terug,'' zegt Bosio, ,,Bretagne is Bretagne, denken vooral de buitenlandse toeristen. Gejammer richt alleen maar meer schade aan. In tranen lost olie niet op, wel in zweet. De handen moeten uit de mouwen, opruimen, dat is de oplossing. Een goed geheugen doet vervolgens de rest. De rekening presenteren we de verantwoordelijken nog wel.''

Niettemin is het dilemma van de Bretons ook hem duidelijk: je beklagen betekent dat de toeristen de indruk krijgen dat er heel wat mis is en dus wegblijven. Doen alsof er niks aan de hand is betekent dat de eigenaar van de olie, Totalfina, de onder ,,goedkope'', onbekende vlag varende reder en schadefonds Fipol hun handen in onschuld kunnen wassen.

Verantwoordelijken? Laat me niet lachen, zegt kokkelkweker Benoit Bonnel. Sinds het schandaal met het met HIV besmette bloed weet hij wat ,,verantwoordelijken'' zeggen: ,,Wel verantwoordelijk, niet schuldig''. ,,Weet jij wat dat betekent?'' vraagt hij. Hij niet.

,,La marée noire, la marée noire, het gaat over niks anders meer. Het is een nachtmerrie.'' Mevrouw Malguid van La Concorde, keurig opgetast zwart haar, maakt zich zorgen over het uitblijven van reserveringen – 40 procent minder dan vorig jaar luidt vooralsnog de algemene prognose – maar ook over de kust, ónze kust. Ze is wezen kijken, na de fatale kerstnacht waarop een ongekend hoog tij de smurrie tot het bovenste deel van de kliffen van de Côte Sauvage had opgestuwd. Ze legt een hand tegen haar wang als ze vertelt hoe de olie borrelde op de golven, die zwaar en log niet eens meer tot rollen in staat waren. De dikke pek die van de rotsen droop – haar ogen schieten vol.

Niet de hele vierhonderd kilometer lange kust van Loire-Atlantique was besmeurd, maar grote delen waren dat wel. Op de stortplaats in Donges, even ten zuiden van La Baule, getuigen tonnen en tonnen, vanwege vrijkomende gassen nog borrelend afvalmateriaal ervan. En van het titanenwerk dat verricht is. Maar de marée noire komt en gaat nog altijd. Het negen kilometer lange in een luwe baai gelegen strand van La Baule, Le Poulguen en Pornichet oogt maagdelijk, toch vinden mannen en vrouwen in witte pakken er nog iedere ochtend tot knikkers gestolde olie. Op 23 april zou het uitgestelde vuurwerkfeest van de millenniumwisseling negen kilometer lichtpluimen in de nacht, het grootste vuurwerk ooit ter wereld alsnog plaatshebben, ter viering van een wederom opengesteld strand. Het ging door, maar een deel van het strand werd de dag ervoor opnieuw gesloten. Volgens Gautron en ook volgens Anne, knikkerraapster in wit pak, ligt er ,,natuurlijk'' nog volop olie onder het schone oppervlaktezand.

Onzin, zeggen Bosio en brandweerchef Philippe Langois. ,,Hebt u een rijbewijs?'' vraagt de laatste. Onmiddellijk ophouden met autorijden, luidt zijn advies. Per keer tanken ademt men heel wat meer kwalijke dampen in dan hier, aan de Bretonse kust. Midden juni zijn de werkzaamheden in de tachtig kilometer die hij rond La Baule voor zijn rekening neemt, klaar, op enkele delen van de ,,lastige Côte Sauvage'' na. Ze zijn er nog volop aan het werk, zijn mannen, duizend brandweerlieden en militairen, die iedere drie weken worden afgelost door een nieuwe ploeg. Ze hebben drie kunststofpakken over elkaar aan; de broekspijpen en de mouwen zijn dichtgetaped, net zoals hun masker hermetisch aan hun capuchon wordt geplakt. Hooguit vijftien minuten, afhankelijk van de warmte, kunnen ze de hogedrukspuit hanteren op de rotsen, daarna is het rusten en drinken. Het zweet staat dan tien centimeter hoog in hun laarzen.

Het geld is de schuld, weten de 65-plussers aan de Boulevard des Mauves, die de militairen (,,fantastische jongens'') gadeslaan. Het geld en de politiek, en de mondialisering en Europa. Er moeten regels komen, regels zoals Amerika die na de vervuiling van de kust van Alaska door de Exxon-Valdez (1989) in de Oil Pollution Act heeft vastgelegd. Uiterst strenge regels zijn dat. ,,Maar die zorgen er wel voor dat nu álle wrakken hier langskomen'', zegt Gautron. Dus moeten dezelfde regels hier komen. En als ze er zijn, moet ook op de handhaving worden toegezien. ,,Hun astronomische jaarwinst afpakken, dat is het enige waar ze gevoelig voor zijn'', zegt de buurman van kokkelkweker Bonnel, terwijl hij met een dik `marée noire'-dossier onder de arm langsloopt.

De zoutwinners van de Guérande hebben hun gronden, pal achter de stranden van Le Croisic, buurgemeente van La Baule, net op tijd met een wal tegen het zeewater kunnen beschermen. Maar oogsten soms 300 ton per seizoen per bedrijf zullen ze niet dit najaar. Vrijwillig. Hun wereldberoemde product staat op het spel, het woord ,,kankerverwekkend'' is nu eenmaal gevallen.

Ze hebben nog voorraden voor twee jaar. Hun buren, de kokkelkwekers van Le Grand Traict, hebben die niet en ze mogen niet oogsten. Ze hebben de smalle trechter naar zee niet afgesloten. Ze vertrouwden op het weerbericht, dat een zuidelijke wind voorspelde. De olie zou aan hun deur voorbijgaan, maar de wind sloeg om en de kokkels bevatten nu te veel koolwaterstof. Hoewel, de laatste dagen was de meting vrijwel conform de norm. Benoit Bonnel, bioloog en kleine kweker-uit-liefhebberij, krabt een handvol schelpdieren omhoog, opent ze geroutineerd met de scharnieren tegen elkaar, geeft ze aan het bezoek. Fris, zilt, geparfumeerd, ze zijn goddelijk. Had hij het niet gezegd? Ja, dat zal wel, zegt Gautron. ,,Maar zeker twee grote kokkelvelden zijn verontreinigd. Die troep is er tot anderhalve meter in weggezakt. In de jaren zestig zeiden we: onder het plaveisel, de verbeelding. Nu ligt er olie''.