Economen kunnen slecht zijn voor uw gezondheid

Het grote verborgen schandaal van onze tijd is de reusachtige schade die economen in dienst van de Wereldbank en het IMF in de wereld hebben aangericht, vindt Karel van Wolferen.

De afgelopen drie, vier jaar van economische malaise in Japan en financiële opschudding in veel andere landen is de term `gezonde economie' misschien wel een miljoen keer of meer gebruikt in rapporten, artikelen, toespraken, analyses en beleidsnota's. Voor de meeste mensen betekent `economisch gezond' dat het bedrijfsleven in hun omgeving het redelijk goed doet, dat zij zelf verzekerd zijn van een redelijk inkomen en dat hun vooruitzichten en die van hun kinderen redelijk positief zijn.

Maar dat is iets heel anders dan wat 's werelds invloedrijkste economen zien als de kenmerken van een `gezonde economie'. Het is goed dit verschil in gedachten te houden, want indirect spelen deze economen een belangrijke rol in het ontstaan van de gemondialiseerde wereld waarin wij in de afzienbare toekomst zullen leven, en helaas kunnen hun opvattingen over wat gezond is een economie doodziek maken.

Japan heeft eigenlijk nog geluk gehad. De Japanse autoriteiten hebben nooit toegestaan dat economen veel invloed kregen onder de bureaucraten die er de dienst uitmaken. Ik heb Amaya Naohiro, een bekende onderminister op het MITI in de glorietijd van dat ministerie, eens gevraagd of hij collega's had die economie hadden gestudeerd. Na enig nadenken noemde hij één naam, maar hij voegde er dadelijk aan toe dat hij het niet zeker wist. De terechte argwaan jegens economen in beleidsfuncties komt aardig tot uiting in een Russische mop uit de communistische tijd. In de 1 mei-parade over het Rode Plein in Moskou, met manhaftig marcherende Sovjet-troepen en veel militair materieel, ziet men tussen een formatie tanks en een dozijn rijdende lanceerplatforms een eenzame figuur in driedelig pak met een aktentas stappen. Een buitenlandse hoogwaardigheidsbekleder vraagt Gorbatsjov wat die man daar doet, en de Sovjet-president zegt: ,,Dat is een econoom, en u zou versteld staan van de schade die zo iemand kan aanrichten.''

Het grote verborgen schandaal van onze tijd is de reusachtige schade die economen in dienst van de Wereldbank en het IMF aanrichten in Rusland, landen van Latijns-Amerika en Afrika, Indonesië en in mindere mate ook Thailand. Zij wijden zich met soms haast religieuze ijver aan hun missie, namelijk deze landen tot `genezing' te dwingen door middel van `structurele aanpassingen'. In de praktijk blijkt het te gaan om een ingrijpende herstructurering van de economie van een land, zodat het in een voorbeschikte sleuf in de mondiale markt zal passen.

Het meest schrijnende voorbeeld is Rusland. Na een korte `shockbehandeling' werd alles wat nog functioneerde in de Russische industrie onder supervisie van het IMF ontmanteld, zodat Rusland thans vrijwel niets anders meer produceert dan energie. De Russische economie is gekrompen tot de helft van haar omvang vóór de hervormingen. Het gemiddelde Russische huishouden is meer dan de helft van zijn inkomen kwijtgeraakt en de meerderheid van de bevolking leeft onder de armoedegrens. En korter: de levensverwachting van mannen is gekelderd van 65,5 tot 57 jaar. Wat hadden de Westerse economen en hun Russische volgelingen in de zin? De voornaamste gedachte was dat 's lands lichte en zware industrie moest worden opgedoekt omdat die niet `internationaal concurrerend' waren.

Zulke ideeën worden geacht te berusten op economisch-wetenschappelijke theorieën. En dat nu is een van de wijdst verbreide illusies van onze tijd. Want de gedachte dat economieën zich moeten aanpassen aan een internationale vrije markt en aangewezen moeten zijn op buitenlandse investeringen in plaats van hun zelfstandigheid te vergroten, berust in werkelijkheid op een ideologie die bekend staat als het neoliberalisme. En die blijkt tegenwoordig nauwelijks minder invloedrijk dan de communistische ideologie in de eerste helft van de twintigste eeuw.

De maatregelen waartoe de Indonesische president Soeharto vóór zijn aftreden werd gedwongen, hebben naar inmiddels bekend is de financiële crisis in zijn land veel en veel erger gemaakt dan die anders zou zijn geweest. Over Thailand zegt de Amerikaanse econoom Geoffrey Sachs (die zelf in hoge mate betrokken was bij het Russische fiasco): ,,Het effect van het IMF-recept was ongeveer dat van iemand die `Brand!' schreeuwt in een volle bioscoop.'' Latijns-Amerikaanse landen die om dezelfde redenen en onder het toeziend oog van dezelfde functionarissen zijn geprest tot ingrijpende herstructureringsmaatregelen, zitten nu opgescheept met snel verpauperende steden doordat overheidstaken worden verwaarloosd. In Afrika hebben neoliberale beginselen ertoe geleid dat bestaande instellingen werden opgeheven en vervangen door de marktgerichte maatregelen die de economen nodig achten – met desastreuze gevolgen.

In de tijd dat het denkwerk door een vorige generatie ontwikkelingseconomen werd verricht, heerste vrij algemeen het inzicht dat laat-geïndustrialiseerde landen veel bescherming en een flink regulerende overheid behoefden. En wat men vooral inzag was dat de problemen van landen in verschillende delen van de wereld en verschillende stadia van economische ontwikkeling altijd onderling verschillen omdat de omstandigheden er verschillen. Het neoliberale geloof verkondigt een laissez-faire-politiek en het loslaten van elke overheidscontrole op alle markten. Het zweert bij universeel geldige formules en koestert een vermaarde, maar ouderwetse theorie van David Ricardo over het `concurrentievoordeel', die luidt dat landen niet moeten proberen te produceren wat andere landen al met succes produceren. Al voordat de neoliberale ideologie de wereld veroverde, dachten vooraanstaande economen dat deze theorie wetenschappelijk was en dus onomstotelijk. Vandaar dat Japan kort na de Tweede Wereldoorlog van deze economen te horen kreeg dat het geen zin had om een staal- en auto-industrie op te bouwen, omdat Japan niet over de benodigde grondstoffen beschikte.

Gelukkig voor iedereen bleef de Japanse ambtenarij doof voor dit soort argumenten. Het voornaamste probleem bij invloedrijke economen is dat ze zich niet voor het verleden interesseren. Zij wijzen nu op de herlevende economie in Korea en Zuidoost-Azië als bewijs van hun gelijk. Maar Joseph Stiglitz hield hun, toen hij nog als topeconoom bij de Wereldbank werkte, voor dat op den duur álle landen weer zullen opveren, en dat ze wellicht niet zo ziek waren geworden als het IMF hun niet het verkeerde medicijn had toegediend. Dit soort uitlatingen heeft Stiglitz zijn baan gekost – eerder dit jaar heeft hij op aandringen van de Amerikaanse regering moeten aftreden. Zo gaat dat op het toneel van de wereldmacht: andersdenkenden in eigen gelederen moet zo snel mogelijk het zwijgen worden opgelegd, anders komt het dogma in gevaar. De wereld is er bepaald onveiliger op geworden.

K.G. van Wolferen is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Hij houdt zich bezig met de vergelijking van politieke en economische instituties, in het bijzonder in Oost-Azië.

    • Karel van Wolferen