De betrekkelijkheid van verraad

`Hoe zijn de verkiezingen bij jullie afgelopen', vroeg een kennis op joviale toon. Terwijl ik aan een omstandig antwoord begon, merkte ik dat ik in mijn gedachten bleef struikelen over het woordje `jullie'. Sloot hij mij buiten, ontnam hij mij mijn Nederlanderschap? Nee, daar was de man in kwestie veel te fatsoenlijk en hartelijk voor. En ik ben toch ook een Surinamer? Het is toch mijn land? Of niet?

Twintig jaar geleden zou ik er geen seconde over hebben getwijfeld. Mijn verblijf hier was tijdelijk, noodzakelijk doch tijdelijk, en ik zei dat aan een ieder die het horen wilde. Ik zou het als verraad tegenover `volk en vaderland' hebben gevoeld als ik ook maar enigszins blijk gaf van onzekerheid over mijn doel en mijn drijfveer: ik was hier gekomen om te studeren en ik zou de dag na het behalen van mijn diploma op het vliegtuig stappen om daar mijn vaderland te helpen opbouwen.

Vreemd is dat. Het leek toen zo begrijpelijk en logisch, dat je de gemeenschap die je had gekoesterd en grootgebracht, die je onderwijs en opvoeding had gegeven, niet in de steek liet – eeuwige dankbaarheid was toch het minste wat je kon tonen?

Hoe anders is het nu. De reportages op de televisie over hoe vreselijk de ziekenzorg er is, de vele artikelen in de kranten over de bejaarden en jeugdige werklozen, ik zie en lees ze met een half oog. Alsof het me niets aangaat, alsof het een ver en onbekend land is, een Armenië of zo.

Natuurlijk voel ik me er schuldig over. Ik vind het zelfs schandalig. Het land van mijn jeugd, van al mijn herinneringen, van de meest vormende ervaringen, en dan zo onthecht? Ik wil niet zo'n oppervlakkig wezen zijn, iemand die zonder sentimenten en emoties over de aardbol wandelt alsof geen enkele plaats meer betekenis heeft dan de ander. Maar waarom dwaal ik dan af, terwijl ik de grote stukken in de kranten opensla?

Het kan natuurlijk ook aan de verslaggevers liggen. De journalisten die nu naar Suriname gaan zijn van een andere generatie dan ik. Ze kennen het land niet dat ik verliet, de stad die erbij lag als Haarlem, met pleintjes en plantsoentjes en straten zonder kuilen en scheuren. Met inwoners die op zondag naar de kerk gingen en denkers die dromen hadden, van een socialistisch Suriname met gratis medische zorg voor iedereen, of van een ontwikkeld Suriname dat op grond van aardolie en bauxiet zou uitgroeien tot een paradijs in Zuid-Amerika. Een nieuwe stad in de jungle, rapporten over groeipolen, de rijstsector die de wereld honderd stappen voor zou zijn.

Het had zo haalbaar geleken. Maar de jongens die nu naar het land afreizen, met een recordertje en een bloknootje, hebben daar allemaal nauwelijks weet van. De toon in hun verslagen is soms zorgelijk, maar vaker cynisch en badinerend. Ze noteren de grappen die er gemaakt worden door het volk; dat Bouterse uit pure paranoia ook zichzelf fouilleert, dat Venetiaan geen vuile handen heeft omdat hij ze nooit uit de mouwen steekt, dat Wijdenbosch speciale luiers uit Amerika heeft besteld omdat hij in dronkenschap zijn broek nat plast.

Ik moet er ook om grinniken en toch bevalt de toon me niet. Suriname is voor Nederland een onbelangrijk en verwaarloosbaar land geworden, maar dat zegt meer over Nederland dan over Suriname. Het zegt vooral iets over hoe Nederland met zijn verleden wenst om te gaan. Ook nu, nu de Nederland-gezinde partijen de verkiezingen hebben gewonnen, zeggen Kok, Herfkens en Van Aartsen dat ze zullen afwachten. Dat het van Suriname afhangt hoe de band met Nederland zal zijn.

Het is een vorm van zelfverloochening waar Nederlanders niet doordrongen van kunnen raken. Snappen ze niet hoezeer Suriname een creatie van Nederland is? Begrijpen ze niet wat zij dat land hebben aangedaan, toen ze het onafhankelijk maakten, met behoud van een leger en een niet controleerbaar arsenaal aan geweren en granaten? En zelfzuchtiger: zien ze het belang niet van het enige land buiten Europa waar het Nederlands de voertaal is?

Ik schrijf dit tamelijk plichtmatig op, omdat ik het al zo vaak geschreven heb en er nu zelf geen overtuigingskracht meer in zie. Nederland laat Suriname in de steek, dat is waar, maar Suriname laat ook zichzelf in de steek. Suriname heeft zich verwaarloosbaar gemaakt, het is goed te negeren geworden, het heeft niets gedaan of gepresteerd wat hoopgevend is. Het land heeft geen dromen, geen idealen, geen strevingen. Je kunt er alleen nog maar om lachen.

Maar het is geen opgewekte lach. Zoals de Surinamers ook grappen maken, zonder er plezier bij te voelen. Dat heeft een naam: hysterie. Het is een hysterisch volk dat geen kant op kan en er maar het beste van probeert te maken. Ze schateren hun ellende weg, omdat ze geen werkelijke uitweg meer zien. En die uitweg is er inderdaad niet, dat is misschien nog het meest tragische van al.

Suriname's uitweg zit in Nederland. Alle mensen met scholing en ontwikkeling, met beschaving en fatsoen, met drang en durf en visie en elan, al die mensen zijn bezig Nederland op te bouwen. De burgerij van dat land zit hier, de hele middenklasse heeft zich hier genesteld.

En wat is het lot van een land zonder middenklasse? Hysterie. Suriname heeft nu nog alleen maar stinkrijken en noodlijdenden, er is niets wat dat bijeen houdt. Dat lees je ook in de reportages: blinkende terreinwagens en blote jochies die ze oppoetsen. Dat klinkt niet als het Haarlem dat ik verliet.

Maar waarom voelt het bij mij steeds minder als verraad? Waarom heb ik geen slapeloze nachten over hoe het verder moet met mijn land? Waarom vind ik het al vreemd om er het bezittelijk voornaamwoord voor te plaatsen: mijn? Ik denk dat het aan mij ligt. Niet aan de verslaggevers, niet aan het volk. Ik ben schuldig. Ik heb, ergens in die twintig jaar, besloten dat verraad minder pijnlijk is dan het zou moeten zijn. En ik zal er mee moeten leren leven.