Australië wil afrekenen met duister verleden

Meer dan 200.000 mensen liepen zaterdag in Sydney mee in een verzoeningsmars met de aboriginals. Maar de Australiërs hebben nog lang niet afgerekend met hun donkere verleden.

De premier maakte zijn opwachting, de Australische gouverneur-generaal, de voormannen van de oppositie, de regeringsleiders van de deelstaten, vertegenwoordigers van uiteenlopende maatschappelijke organisaties en afgevaardigden van de oorspronkelijke bewoners van Australië; de aboriginal-volkeren en Torres Strait Islanders uit alle delen van het continent. Nog nooit waren sinds de totstandkoming van het federale Australië in 1901 zoveel Australische leiders op één plek verzameld als afgelopen zaterdag in het Opera House in Sydney. En nooit openlijker demonstreerden zoveel mensen hun wens tot verzoening met de oorspronkelijke bevolkingsgroepen van Australië als de meer dan tweehonderdduizend – veel meer dan verwacht – die gisteren over de Harbour Bridge wandelden waarboven de Australische en de aboriginal-vlag broedelijk naast elkaar wapperden in de herfstzon.

Australië heeft een `historisch' weekeinde achter de rug, zoals de sprekers in het Opera House benadrukten, maar een definitieve streep onder het verleden is daarmee nog niet gezet. De liberale premier John Howard sprak over ,,het verdriet en de pijn die de wreedheden van het verleden nog steeds met zich meedragen''. Maar hij weigerde namens zijn regering officieel verontschuldigingen aan te bieden voor de slechte behandeling van de aboriginal-bevolking, begaan door voorgaande generaties. Zijn optreden ontlokte de reactie die was voorspeld: zijn speech werd onthaald op boe-geroep en sommigen van de ongeveer tweeduizend aanwezigen in het Opera House keerden hem demonstratief de rug toe.

Pas 33 jaar geleden kregen de bijna 400.000 aboriginals in Australië (2,1 procent van de totale bevolking) volledige burgerrechten. En nog steeds verkeren ze in een achterstandspositie: hun levensverwachting is twintig jaar lager dan die van hun blanke landgenoten, ze haken eerder af op school, ze zijn veel vaker werkloos en ze maken een veel grotere kans in de gevangenis te belanden. Velen dragen de psychische last met zich mee van wat in Australië de stolen generation wordt genoemd: het tot ver in de jaren zestig volgehouden beleid van gedwongen assimilatie waarbij aboriginal-kinderen bij hun ouders werden weggehaald en werden geplaatst bij blanke pleegouders of in opvanghuizen.

Drie jaar geleden verscheen een officieel onderzoeksrapport naar de `stolen generation' en de getuigenissen die daarin waren opgenomen, hebben blank Australië wakker geschud. De schaamte over de gedwongen deportatie tussen 1910 en 1970 van naar schatting 50.000 kinderen alsmede de eis van de inheemse bevolkingsgroepen naar erkenning van hun historische positie en rechten hebben het proces van verzoening sindsdien in een stroomversnelling gebracht. Corroboree 2000 (`plechtige bijeenkomst' in de taal van het Eora-volk, de oorspronkelijke bewoners van het grondgebied van Sydney) was afgelopen weekeinde een tussenstation in dat proces. De Council for Aboriginal Reconciliation presenteerde een toekomstscenario voor het bereiken van verzoening. En alle politieke en maatschappelijke leiders, ook premier Howard, zetten hun handdruk op een `Australian Declaration', waarin de hoop wordt uitgesproken op ,,een verenigd Australië dat ons land respecteert, het erfgoed van de aboriginal-bevolking en van de Torres Strait Islanders in acht neemt en dat rechtvaardigheid en gelijkheid voor iedereen waarborgt''.

Maar de weigering van de premier Howard formeel verontschuldigingen aan te bieden, wierp onmiskenbaar een schaduw over de gebeurtenis. Daarbij was de sfeer in de aanloop tot Corroboree 2000 al danig verpest door de uitlating, vorige maand, van minister Herron (aboriginal-zaken) dat slechts tien procent van de aboriginal-kinderen bij hun ouders was weggehaald en dat dus niet gesproken kan worden over een `gestolen generatie'. Sommige vooraanstaande aboriginal-leiders, onder wie de eerste voorzitter van de Council for Reconciliation, Patrick Dodson, weigerden daarom afgelopen zaterdag in Sydney te verschijnen.

Veel aboriginal-leiders in het Opera House droegen een sticker op hun jasje waarop stond: `Ons land heeft een verdrag nodig'. Bedoeld wordt een verdrag, zoals in Nieuw Zeeland is gesloten met de Maori, waarin de status en de rechten van de inheemse bevolking grondwettelijk zijn verankerd. Maar ze beseffen ook dat zo'n verdrag er niet zal komen onder de `rechtse' premier Howard, gebonden als hij is aan een electorale achterban in grote delen van het platteland waar men zich meer zorgen maakt over de `grondrechten' die de aboriginals claimen dan over het rechtzetten van historisch onrecht.

Het scherpst werd de scepsis ten opzichte van Howard verwoord door de broer van Patrick Dodson, Mick, voorzitter van het Institute of Aboriginals and Torres Strait Islander Studies. ,,Mijn moeder en twee van mijn zusters werden opgesloten in een missietehuis voor vondelingen, hoewel ze geen vondeling waren. Mijn vader zat 18 maanden gevangen omdat hij ongehuwd samenwoonde met mijn moeder. Hoe kan deze premier volhouden dat hij geen verontschuldigingen hoeft aan te bieden omdat de misstanden werden begaan door generaties in het verleden?''

Dodsons boodschap, en die van de meeste andere aboriginal-leiders, luidde dan ook eenvoudigweg zich niet blind te staren op de figuur van Howard, maar door te gaan op de weg van verzoening en ,,ondertussen wachten op een premier die wél `sorry' kan zeggen en die ons met trots in de goede richting zal leiden''. Vele ogen zijn daarbij gericht op Kim Beazley, de leider van de Labor-partij. Hij liep gisteren wel mee, en premier Howard niet, in de `volksmars voor verzoening' over de Harbour Bridge.