Ali!

Wanneer ik mij tot Ali richt, kijkt hij mij aan met een mengeling van vrees en onbegrip.

Het heeft een paar lessen geduurd eer ik oog kreeg voor Ali. Te midden van druktemakers die mijn aandacht opeisten, viel de schuchtere Ali weg. Zo gaan die dingen. Pas tijdens het klokkijken heeft Ali zich aan mij geopenbaard.

Het heeft iets nodeloos ingewikkelds, het Nederlandse klokkijken, zeker voor deze kinderen, die het straks van hun handen moeten hebben en van eenvoudige opdrachten die na dit schakeljaar het lager beroepsonderwijs zullen volgen. Voor de vijftienjarige Ali, met zijn kleine ronde boerenhoofd, is het eigenlijk te veel gevraagd. Hij zit hier nu drie weken op school en het lukt hem niet mij in het Nederlands te zeggen hoe laat het is.

Ik heb het naar mijn gevoel toch uitentreuren gerepeteerd. De demonstratieklok in de hand, ben ik de uren en halve uren doorgelopen. Van twaalf uur naar half één naar één uur naar half twee en zo de klok rond. Daarna blijf ik net zo lang voor iedere leerling staan, die grote klok in mijn handen, de wijzers telkens een half uur verschuivend, tot ik vijf keer achtereen een goed antwoord heb gehoord. Pas dan durf ik door te lopen naar de volgende leerling. Als ik de hele klas gehad heb ben ik de klok minstens veertig keer rond geweest.

Geen opwindende les, maar de klas blijft rustig en vol aandacht. Allemaal vinden ze het leuk om te zien hoe hun medeleerlingen het eraf brengen alsof ze iedere keer weer zelf voor het blok worden gezet.

Alleen bij Ali moet ik marchanderen met mijn eis van vijf goede antwoorden, en dan pas naar de volgende leerling. Zeven uur is zeven uur, ook voor Ali, en acht uur acht uur, maar ik breng hem in verwarring door hem dan met een half uur te confronteren. Angstig staart hij van mij naar de klok en van de klok naar mij.

`Half...', help ik hem.

`Acht!'

Karim, achter hem, begint te lachen. Karim heeft het allang door. Ali lacht voorzichtig mee, niet zonder een angstige blik op mij.

Het pleit voor Ali, vind ik, dat hij duidelijk blijft spreken, luid zelfs, zijn foute antwoord is goed hoorbaar voor iedereen. Ik kan het niet helemaal rijmen met zijn angstige blik, maar het neemt voor de jongen in.

`Nee Ali', zeg ik zo aardig mogelijk, `kijk, het is half negen.' Ik wijs op de grote wijzer op de zes en op de kleine tussen de acht en de negen. Heeft hij dan niet door dat ik telkens een stukje opschuif in de tijd? Wat moet dat straks niet worden met de kwartieren, de vijf en tien vóór en óver halfs? Om Ali een plezier te doen zet ik de klok op negen uur terug naar de hele uren, naar bekend terrein, denk ik, maar dat denk ik fout.

`Hoe laat is het nu?'

Met een intense en tegelijk bevreesde blik kijkt Ali naar de klok. Hij kan het raadsel er niet aan ontfutselen maar komt toch weer met een luid en duidelijk antwoord. `Half twaalf uur!'

Karim klapt dubbel en ook ik schiet in de lach. Ali lacht weer mee, zij het wat verongelijkt, en niet zonder een angstige blik op mij.

`Nee Ali, kijk', zeg ik en wijs op de negen. `Negen'.

`Negen uur!' roept hij, voordat ík het kan zeggen. Een moedige revanche. Ook tijdens volgende lessen merk ik, nu ik Ali in het vizier heb, dat het deze schuchtere jongen niet aan moed ontbreekt. Als ik hem vraag (het thema is boodschappen doen) naar de dingen die hij wel eens koopt in een winkel, kouskous misschien, voor zijn moeder, antwoordt hij: `Nee kouskous. Cola!'

Daarom moet ik lachen, Karim en de rest van de klas ook, en als Ali dat merkt, vindt hij het zelf ook grappig. `Cola', herhaal ik en vrees voor de volgende vraag keert terug op zijn gezicht. `Alleen cola? Niet meer? Wat koop je nog meer in de winkel?'

Zolang hij bezig is mijn Nederlands te verwerken kijkt hij moeizaam. Dan roept hij plotseling `Jalagam!' of iets dat daarop lijkt en schiet in een lachkramp. Ik wist niet dat hij het in zich had, zomaar een grap te durven maken.

De Marokkanen lachen mee. `Sla!' vertaalt Karim.

`Sla?' Terwijl ik het herhaal kijkt Ali half lachend en alweer half angstig naar mij op. Als hij ziet dat ik erg vrolijk kijk, put hij daar moed uit, roept weer iets in het Arabisch, en schiet voor de tweede keer in de lach.

`Komkommer!' roept Karim, die zich eveneens kostelijk amuseert. Aanvankelijk vond ik Karim wat bijdehand (een van de druktemakers) maar nu zie ik aan zijn gezicht dat hij dezelfde dingen grappig vind als ik: dát de schuchtere Ali zich grapjes gaat veroorloven, het soort grapjes dat Ali maakt en de schik die Ali er zelf om heeft. Dankzij de uit zijn schulp kruipende Ali, begint er nu een soort band tussen Karim en mij te ontstaan.

Vertederd kijk ik naar de jongen die, nu hij uitgelachen is, weer angstig naar mij opkijkt, in afwachting van de volgende vraag.