Zelfs op de fokafdeling sterven de varkens

Op Russische varkensfokkerijen creperen varkens van de honger: de opbrengst ligt ver onder de kostprijs en er is geen geld voor voer meer. De medeschuldige: het Westen met zijn genereuze voedselhulp.

Huilend schept Katja de waterige mest in de goot. Ze staat machteloos: haar varkens gaan dood van de honger. Scharminkel 0506 zakt zowat door zijn pootjes, je kan z'n spareribs tellen. ,,Vanochtend waren er vier die niet meer overeind kwamen'', zegt de dierenverzorgster met natte vegen mascara onder haar ogen. ,,Het is een afvalrace. In mijn stal had ik er in januari nog 428, en nu nog maar 92.''

Met grote terughoudendheid heeft assistent-veearts Olga (boerenkiel, haren in een sjaaltje) ingestemd met een rondleiding op de vroegere varkens-sovchoze van het dorp Djoedkovo aan de Wolga. Ze laat de voedersilo's zien, die als infuuskolommen boven de stallen uittorenen. Lege hulzen zijn het, ze klinken hol als je erop klopt. Op de modderige paden van de inmiddels geprivatiseerde varkensboerderij liggen alleen hoopjes zaagsel en turfmolm. ,,Ja, dat geven we ze te eten'', knikt Olga beschaamd.

Een vetmesterij is dit agro-industriële complex allang niet meer. Zelfs de fokzeugen zijn uitgemergeld. Door de systematische ondervoeding werpen ze nog maar drie of vier biggen per keer. Vroeger, zegt Olga, vaak meer dan tien. Ze stopt de roze diertjes zo gauw mogelijk onder een warmtelamp, om hun moeders te ontzien. Het is een achterhoedegevecht tegen de massale sterfte. Olga: ,,Onze fokafdeling is het hart van de fabriek. Zelfs daar gaan de beesten dood.''

Het drama van Djoedkovo kan zich meten met dat van Animal Farm, het boze sprookje waarin George Orwell de Sovjet-kameraden ontmaskert. Het verhaal van de collectieve boerderij van Djoedkovo – op 340 kilometer ten noorden van Moskou – laat zich vertellen als een triest vervolg op de ontspoorde revolutie van de Orwells varkens. Dat de egalitaire utopie van het communisme in haar tegendeel is verkeerd (,,some pigs are more equal than others'') is genoegzaam bekend. Maar wie kent de omvang van de ramp die tien jaar kapitalisme op het Russische platteland heeft aangericht? En wie beseft dat de Amerikaanse en Europese voedselhulp, genereus aangeboden onder leuzen als `Help de Russen de Winter Door', mede ten grondslag ligt aan het verhongeren van varkens in Rusland?

In Djoedkovo, tweeduizend in flatgebouwen bijeengedreven zielen op een lap veengrond, was in 1984 de varkenssovchoze Zalesje gesticht. Met 54.000 varkens was dit complex een van de grootste uit de landbouwgeschiedenis. Maar sinds de centraal geleide economie moest wijken voor de wetten van vraag en aanbod is deze mammoet in een neerwaartse spiraal geraakt: in 1996 waren de stallen nog bevolkt door 38.000 beesten, in 1998 door 34.000, en begin dit jaar nog door 11.000. Sinds januari is er geen geld meer voor voer, evenmin voor lonen. De telefoon van Zalesje is afgesloten; de ommuurde, met onkruid overwoekerde fabriek een sterfhuis. In april bezweken er drie- tot vierhonderd varkens per dag. Olga, de assistent-veearts, vertelt dat de varkens elkaars staarten opvraten en gilden van de honger. Toen het ketelhuis – dat dorp en fabriek van warmte moet voorzien – nog in bedrijf was, kookte het personeel de kadavers tot soep. ,,Vermengd met zaagsel gaven we dat aan de biggen.''

Nu er eens per week een vrachtwagen met voer arriveert neemt de veestapel ,,nog slechts'' met enkele tientallen per dag af. Vasili, een staljongen op afgetrapte laarzen, weet waar ze worden gedumpt: in een kuil aan de zoom van een berkenbosje. De stank van door maden aangevreten organen slaat je in je gezicht. De fotograaf doet zwijgend zijn werk. Twee mannen in houthakkershemd staan afzijdig in het bosje. Met slagersmessen villen ze hompen vlees, die ze aan de stammetjes hebben opgehangen. Rottend vlees. ,,Voor de hond'', zeggen ze argwanend. Vasili kijkt bedenkelijk. Het slachthuis bestempelt zelfs de levende varkens van Zalesje als ,,beneden de standaard'', en deze twee mannen snijden dode varkens aan repen? De twee slagers ontkennen dat ze dit vlees op de markt willen aanbieden. Aan de andere kant: ze kunnen zich wel voorstellen dat het voor menselijke consumptie geschikt is. ,,Er zijn immers genoeg zwervers die leven uit de vuilnisbakken!''

Heel Djoedkovo balanceert op het randje van de waanzin. In een met prikkeldraad omheind weilandje loopt een man te schuimbekken. ,,Hij heeft last van een kwade dronk'', zegt Vasili in het voorbijgaan.

Het lijkt wel of alleen directeur Sergej Goloebev, tegen beter weten in, nog vecht voor de toekomst van Zalesje. Op de aandeelhoudersvergadering (de 604 werknemers bezitten allemaal een stukje van de varkenshouderij) legt hij voor een vol zaaltje verantwoording af. In het Cultuurhuis, tussen de rode toneelgordijnen, lepelt hij lange cijferreeksen op. De fokkerij/mesterij is onrendabel, daar komt het op neer. Het voer is te duur, de vleesprijs te laag. ,,De toestand is catastrofaal'', zegt Goloebev. Maar de schuld ligt niet bij ons, zegt hij, het is de ,,humanitaire hulp'' die de varkens van Zalesje de das om heeft gedaan: ,,Vlees uit Europa en Amerika, dat onder het mom van voedselhulp is ingevoerd, verpest de markt.''

Er ontstaat rumoer onder de aandeelhouders. Precies! Vanwege dat ,,humanitaire vlees'', zegt een vrouw in een gebreid vest, is de varkensprijs gekelderd tot 17 roebel per kilo levend gewicht. Terwijl de kostprijs rond de dertig roebel schommelt. Een schandaal, zo schreven ook de kranten. Tot overmaat van ramp lagen de koelhuizen van de provinciehoofdstad Jaroslavl tot voor kort vol met Frans en Duits vlees – overschotten uit de EU die onder nobele voorwendselen in Rusland waren gedumpt. Directeur Goloebev heeft alle slachterijen in de omtrek gebeld toen er begin dit jaar geen geld meer was voor voer. ,,We konden nergens met onze varkens terecht omdat er geen opslagcapaciteit was.''

De Westerse ,,hulp'' heeft de genadeslag toegebracht, daar zijn de meesten van overtuigd. Maar of het de hoofdoorzaak is? Marina in haar Lada-met-aanhangwagen is niet naar de vergadering gegaan. ,,Sinds ik voor mezelf ben begonnen heb ik geen tijd voor meer praatjes.'' Ze weerlegt de logica van de directeur met de simpele opmerking dat het vetmesten van varkens in Rusland per definitie winstgevend is. ,,We leven toch van wodka en worst?'' Een bezopen buurman klampt haar aan. Mag hij haar haar geleende geld een weekje later terugbetalen? ,,Ik ben zondag jarig!'' Marina kijkt hem bestraffend aan en stemt dan toe, als hij haar helpt bij het uitladen van haar varkens. Ze komt net van de veemarkt in het nabijgelegen Rybinsk, waar ze acht varkens van honderd kilo elk heeft gekocht. Gillend laten de beesten zich uit de laadbak van een gehuurde vrachtauto in een mestvaalt duwen.

Tussen de schots en scheef gebouwde privé-stallen van Djoedkovo bloeit de kleinschalige varkenshouderij. In haar flat op de tweede verdieping, onder een lamp in de badkamer, voedt Marina ook een handvol biggetjes. Als ze groter worden, gaan ze naar de schuur, waar ook de acht slachtrijpe exemplaren worden ondergebracht. Een jongen in een glimmend trainingspak draagt hammen het trapportaal binnen en tussen de flats duwt een vrouw een kruiwagen met varkenspootjes voort. De meeste inwoners van Djoedkovo zijn weer keuterboertjes geworden – net als hun grootouders voor de revolutie.

    • Frank Westerman