Volksgericht

Voor mij liggen achttien Nobelprijzen. Het is een schitterend gezicht, zeker als je bedenkt dat al die prijzen in de wacht worden gesleept door Nederlandse sterrenkundigen. Weliswaar zijn het nog slechts plannen, maar het kan niet missen, zeggen de deskundigen die ze hebben beoordeeld. We moeten ze alleen nog uitvoeren. En wel als de gesmeerde bliksem, want alle achttien zijn – zo bezweren ons een vijftigtal wetenschappers wie om hun mening is gevraagd – excellent, in een enkel geval zelfs superb, en ze zijn allemaal extremely urgent.

Ik kreeg deze exquise collectie te zien omdat ik sinds kort in een koek-en-gard-commissie zit die moet uitmaken wie geld krijgt voor zijn onderzoek en wie niet. Af en toe moet je helpen met de rotklussen. Het is geen sinecure, want zulke commissies hebben veel invloed: het grootste deel van het geld voor het onderzoek wordt op deze manier verdeeld. Wees niet bang dat ik zal meedoen aan de nationale sport van het lekken, een soort politiek wildplassen waarbij men tegenstanders een hak probeert te zetten door het selectief aan de media doorspelen van geheime en gevoelige informatie. Ik zal niets zeggen over namen en inhoud, behalve dan dat er voortreffelijke voorstellen bij waren van uitstekende wetenschappers. Het gaat mij hier om het proces waardoor de beoordeling van deze voorstellen tot stand komt. Ik zou er aan voorbij zijn gegaan, ware het niet dat deze regels voor alle vakgebieden gelden, niet alleen voor de sterrenkunde. Op gezag van NWO, de organisatie die ZWO heette, maar 90 graden van koers veranderde door de Z van zuiver een kwartslag te draaien. De vorige directeur van NWO zei dat de wetenschap wel zo'n beetje aan het eind van haar Latijn was.

``Kortzichtig en bekrompen'', was het oordeel van wijlen professor Casimir over die uitspraak, en eigenlijk geldt dat voor de hele procedure van onderzoeksplanning. Volgens de tegenwoordige praktijk verloopt deze als volgt. Een onderzoeker schrijft een plan waarin hij/zij moet uitleggen wat het doel en de inhoud van het onderzoek zijn, hoe lang de uitvoering gaat duren, wie het gaat doen, wat het gaat kosten, en wat de invloed ervan op de rest van het vak zal zijn. Dan stuurt een commissie het voorstel naar drie anonieme deskundigen (referees) die zich onder andere moeten uitspreken over: wat is uw mening over de merites van dit onderzoek? Heeft het een duidelijk doel? Is het tijdschema realistisch? Wat is de relevantie voor de wetenschap en de maatschappij?

Dit is een lachertje om diverse redenen. Ten eerste, je vraagt het onmogelijke van de onderzoeker. Ten tweede, wie al zo goed weet wat te doen, en wanneer welke resultaten worden bereikt, kan beter meteen het bijbehorende artikel schrijven. Bovendien is het element van verrassing uitgebannen; wie in zo'n voorstel ook maar iets onverwachts de ruimte probeert te geven, vangt bot.Ten derde, het onderzoeksgebied is klein, en de deskundigen zijn vaak vriendjes van de voorsteller. De ervaring leert dat relativerende opmerkingen, al zijn zij wetenschappelijk verantwoord, tot afwijzing leiden. Dus putten de referees zich uit in overdreven lof. Ten vierde, de rollen van rechter en getuige worden verward. De deskundigen wordt niet gevraagd om technische informatie of feiten, maar om meningen. Soms vraagt men zelfs een mening over een mening, zoals in `Wat is uw mening over de reputatie van deze onderzoeksgroep?' Zo wordt de procesgang tot een volksgericht. Vandaar die geheimhouding. Als het over feiten ging, was er geen enkele reden om zo stiekem te doen. Maar het gaat voor een belangrijk deel over achterklap, dorpsroddel, reputaties.

En wat koop je daar dan voor? De procedure bevoordeelt de kool-en-geitspaarders. Sommige van die voorstellen zijn van jaar tot jaar bijna letterlijk hetzelfde, en de resultaten die het oplevert ook. Wat eruit komt is wel nieuw, maar niet vernieuwend. Dat beseffen de geldkraanbazen ook wel een beetje, maar als ze met een oplossing komen dan doen ze het net weer even verkeerd. Zo verscheen er nog niet lang geleden een oproep voor `tegendraadse' onderzoekers. Wie zo'n maffe kwalificatie verzint heeft van het wetenschappelijk proces niets gesnapt. Tegendraadsheid is helemaal geen verdienste ipso facto. Elke vernieuwing is tegendraads, anders zou het geen vernieuwing zijn. Maar uit het feit dat alle kraaien zwart zijn, volgt niet dat iets zwarts ook een kraai is.

Wat je er verder voor koopt is een flankerende horde managerstypes, te herkennen aan hun steenkolen-Engels. Dat zou nog te pruimen zijn als zij zich gewoon met de euro's bezighielden. Maar omdat zij de schijn moeten ophouden van wetenschappelijkheid gaan zij naar een dozijn conferenties per jaar, waar zij ten overstaan van hun mutual admiration society steeds weer dezelfde invited talk geven.

Waarom doen wij dit? Niet omdat het goed werkt; hoogstens omdat men niets beters weet. En, vrees ik, vanwege het gekrakeel om `verantwoording', afkomstig van koekebakkers (niet koekeNbakkers, die term beduidt spellingsdeskundigen), die denken dat je een wetenschappelijk resultaat koopt zoals een pak melk of een fiets. Voor ons salaris koopt de maatschappij het recht op absolute toewijding en onkreukbaarheid, maar of dat ooit een Nobelprijs oplevert hebt u maar af te wachten. Dat lijkt vaag, maar bedenk dat de beoordeling van nieuwe werknemers bij ons zo draconisch is, dat niemand behalve een geharnaste idealist zich eraan durft te onderwerpen. Ik hoorde eens een directeur-generaal van Economische Zaken tegen een zaal vol wetenschappers roepen: `Jullie zouden eens wat aan concurrentie moeten doen! Het is een schande dat iedereen maar direct na zijn afstuderen een vaste baan kan krijgen!' Het was de vergadering niet duidelijk in welke fantasiewereld de spreker vertoefde. De selectie van de jongste aanwinst van mijn instituut, een `KNAW-onderzoeker', ging als volgt. Eerst vier jaar studeren en vier jaar promoveren. Dan zeven jaar werken in het buitenland, aan drie verschillende voortreffelijke universiteiten. Daarna geselecteerd uit alle concurrenten binnen de Universiteit Leiden, gevolgd door een competitie met soortgelijke onderzoekers in Nederland. Ten slotte een eindexamen op het Trippenhuis. En aan het eind van deze dodenrit, een tijdelijke baan voor drie jaar! Wijs mij het bedrijf aan waar men zo met zijn personeel omgaat. Wie deze hel overleeft, heeft alle verantwoording afgelegd die een redelijk mens kan eisen, en heeft het recht verworven om voortaan met respect behandeld te worden. Daar hoort een redelijke ondersteuning van het onderzoek uiteraard bij.Dit overziend heb ik het vermoeden dat het voor de regelneven helemaal niet gaat om verantwoording afleggen, want dat doen wij al sinds de dageraad van de wetenschap, maar om vat te krijgen op dingen die voor hen nu eenmaal onbegrijpelijk zijn.

Wat dan wel te doen? Op zijn allerminst, en wel onmiddellijk, het invoeren van een vorm die meer lijkt op een normale procesgang. Rechters willen alleen vaststellen wat er nu eigenlijk gebeurd is, of de verdachte inderdaad op die tijd en plaats aanwezig was, en wie de eerste bloempot gooide.Getuigen moeten zeggen wat zij hebben meegemaakt; hun mening, en in het bijzonder die over de schuldvraag, doet niet ter zake. De commissie speelt de rol van rechtbank, de aanvragers die van verdachten. De deskundigen zijn getuigen; zij geven technisch advies over de aanvragen, en hun gesnork over excellent, superb and very urgent moeten zij achterwege laten. Deze procesvorm is ook in het belang van de verdediging, want tegen feiten kun je je het beste weren, zeker als wetenschapper. Wanneer een of andere onbekende zegt dat hij niet gelooft dat ik het voorgestelde onderzoek kan uitvoeren, kan ik hoogstens zeggen `welles'. Maar als hij zegt dat mijn computer niet snel genoeg is kan ik hem van repliek dienen. Of niet, maar in elk geval gaat het tenminste ergens over.

Zelfs dan blijft het probleem bestaan dat de hele vertoning berust op de fictie van een planmatig uitgevoerd onderzoek. De plan-economie is dood, maar plan-wetenschap is springlevend, waarschijnlijk omdat het verpieteren van het onderzoek minder gemor veroorzaakt dan een wachtrij voor wc-papier. Zoals iemand mij eens zonder een spoor van ironie of teleurstelling vertelde: `Mijn vakantie is geheel volgens plan verlopen.' Geen enkel ding van blijvende betekenis is ooit volgens plan volbracht. Zelfs ogenschijnlijk technische zaken, waarvan je toch zou zeggen dat het kat-in-'t-bakkie is vergeleken met de quantumgravitatie, danken hun concept en uitvoering aan een enkel genie als Leeghwater, Eiffel of Lely. Daarom is het geen slecht idee om het onderzoek te financieren volgens het aloude adagium `De duvel schijt altijd op de grote hoop'. Zo gaat het bijvoorbeeld bij de Spinoza-prijzen. Dat is tenminste echt geld, en de KNAW heeft tot dusver een vlekkeloze staat van dienst in de keuze van de laureaten. Als we het zo aanpakken, gaan die Nobelprijzen er misschien ooit komen. Het zullen er wel geen achttien zijn, maar als wij de middelmaat blijven voortrekken worden het er gegarandeerd nul.

    • Vincent Icke