Tegen de stereotypen

Studies naar de volkerenmoord op de Armeniërs in de periode 1915-1916 zijn vaak ideologisch beladen, vindt de Duitse historicus Hilmar Kaiser. Zelf onderzoekt hij de primaire bronnen. `Ik ben ontkenner noch gelovige.'

`DE GENOCIDE op de Armeniërs had veel weg van het schoonvegen van een kamer', zegt Hilmar Kaiser, historicus te Bochum. ``In het voorjaar van 1915, toen de sneeuw op het Armeense plateau was gesmolten, begon de regering in Constantinopel met de stelselmatige uitroeiing van haar Armeense onderdanen. De Armeniërs werden naar het zuiden gedreven, waarbij ze bewust niet door gebied kwamen dat al was gezuiverd. De stad Urfa, dichtbij de Syrische woestijn gelegen die als eindbestemming fungeerde, was het laatst aan de beurt. Zomer 1916 was de Armeense gemeenschap weggevaagd en versplinterd. De grootste kern buiten Constantinopel bestond uit arbeiders die in de buurt van Adana aan de Bagdad-spoorweg werkten. Er was geen Armeens dorp over.'

Vorige week woensdag vond in Leiden een opmerkelijke workshop plaats. In een zaaltje in het Faciliteitengebouw boog – zonder dat er veel ruchtbaarheid aan was gegeven – een internationaal gezelschap van twintig specialisten zich over het onderwerp `Etnisch conflict en de Republiek Turkije'. Tot de deelnemers behoorden Turken, Koerden en Armeniërs. In een open atmosfeer gingen ze onder leiding van turkoloog Erik-Jan Zürcher en Koerdenspecialist Martin van Bruinessen met elkaar in discussie, zonder zich bij voorbaat te verschansen achter ideologische muren. ``De sprekers waren allen uitgenodigd op basis van hun onderzoek naar primaire bronnen', zegt Kaiser een dag na de bijeenkomst. ``We zaten er niet als Turk of als Armeniër, maar als academici die van de problemen op de hoogte zijn. We hebben beslist van elkaar geleerd. Bij elkaar komen omwille van een Turks-Armeense dialoog slaat nergens op, dat is alleen maar politiek.'

Kaiser (1962) studeerde geschiedenis en promoveert komende winter aan de Europese universiteit in Florence op zijn onderzoek naar de landbouw in de Çukurova. In die streek rond Adana, in Zuid-Turkije, investeerde de Deutsche Bank eind negentiende eeuw fors in de katoenbouw. Ook alle tumult werd gerapporteerd en is in de archieven van de bank bewaard gebleven. Kaiser is in het wereldje van onderzoekers naar de Armeense Kwestie een opvallende verschijning. Door zijn rechtlijnige benadering weet hij zowel Armeense als Turkse onderzoekers tegen zich in het harnas te jagen – academisch gezien geen slechte positie. ``Mijn vader is van Oost- naar West-Duitsland gevlucht', zegt Kaiser achter een glas Spa. ``We woonden in de arme immigrantenwijk van Solingen. Turken zijn voor mij geen vreemden, het waren de buren. Toen ik negen was at ik bij een Turks gezin uit Samsun mijn eerste gevulde peper, thuis schafte de pot slechts kool.

``Vanaf 1982 ben ik in Turkije gaan rondreizen. Wat ik zag klopte niet met wat de reisboeken meldden. Zo raakte ik geïnteresseerd in Turkse geschiedenis. Dan stuit je al snel op mensen die je aanraden van één onderwerp af te blijven: de Armeense Kwestie. Die is met ideologie beladen, maar voor mij is het gewoon een legitiem onderwerp van onderzoek. Voor ik in 1991 naar Istanbul vertrok om er archiefonderzoek te doen wilde ik zelf nagaan of het nu genocide was of niet. In het archief van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken stuitte ik op zo'n stortvloed aan bewijzen dat ik de Turkse visie, die de genocide ontkent en de Armeniërs ervan beschuldigt tijdens opstanden tegen het Ottomaanse gezag zelf gemoord te hebben, terzijde kon leggen.'

Wat zijn uw ervaringen met de archieven in Turkije?

``Ik heb vier jaar gewerkt in het Ottomaanse Archief van de Eerste Minister, het enige belangrijke archief dat is opengesteld. Ik deed dus onderzoek naar de landbouw in de provincie Adana. Probleem was dat daar Armeniërs zaten die in 1909 en tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn afgeslacht. Daar krijg je vanzelf mee te maken. De autoriteiten van het archief waren er niet blij mee. Ze houden materiaal achter, negeren je aanvragen, halen delen van de catalogus van de plank, of zeggen dat een document buiten het onderzoeksterrein valt.

``Ik heb in zo'n veertig archieven gewerkt, verspreid over de hele wereld, maar nergens is het zo als in Turkije. Ieder document dat ik kreeg was eerst een controlecommissie gepasseerd – waarvan ze het bestaan ontkennen maar ik kan je precies vertellen wie het zijn en waar ze zitten. Er zijn video-opnames van me gemaakt, er kwam iemand achter me staan terwijl ik bezig was, ze stuurden mensen op me af om me uit te horen, ze probeerden uit te zoeken wie mijn onderzoek financierde – ze vermoedden een Armeens complot. In 1995 werd ik eruit gegooid. Dat was stom: ik had nog twintig jaar door kunnen gaan met documenten opvragen en nu had ik tijd om zaken op te schrijven.'

Wat heeft u in in dat archief gevonden?

``De nieuwe generatie Turkse archiefambtenaren en historici is dermate met propaganda opgevoed dat ze erin is gaan geloven. Ik kreeg dozijnen telegrammen met deportatie-orders onder ogen. Zie je wel, zeiden ze, we hebben de Armeniërs niet gedood maar gedeporteerd. Of: we hebben geen kinderen vermoord, op die specifieke plaats voedden we 5000 wezen. Alsof kinderen als wezen geboren worden. Of ze lieten me een telegram zien, getekend door Talat Pasja, een van de leden van het triumviraat dat het Ottomaanse Rijk aanvoerde. Doe geen moeite voor die bedoeïenen, schrijft Talat, ze vermoorden Armeniërs. Zie je wel dat de Armeniërs bescherming genoten, zeiden de archiefambtenaren. Maar de maanden daarop worden iedere dag Armeniërs naar precies die plek gestuurd. Turkse autoriteiten hebben deze documenten in hun propaganda ingepast. Maar wie ze in de juiste context beziet komt tot de conclusie dat ze de genocide op de Armeniërs niet weerleggen maar juist bevestigen.'

Genocide is een politiek zwaar beladen term. President Clinton weigert hem in het geval van de Turken te gebruiken.

``Iedereen weet waarom: Turkije is een trouwe Navo-partner. Als diezelfde Clinton een rechtvaardiging zoekt om Belgrado te bombarderen in reactie op de gebeurtenissen in Kosovo, hanteert hij de term ineens wel. Ik zeg: het is genocide, stelselmatige volkerenmoord. Niet om de Turken in een kwaad daglicht te zetten. Als je de Turkse regering zwart wilt maken hoef je heus geen 85 jaar in de geschiedenis terug. Als je het woord `slachtingen' gebruikt in plaats van `genocide', rijst het probleem dat je de gedwongen assimilatie van Armeense vrouwen en wezen niet kunt verklaren. Hoe duid je dan de moorden, de gang van zaken rond de Armeense bezittingen? Maar je moet oppassen met genocide, het woord slijt snel. De slachtingen onder de Armeniërs in 1890 en 1909 waren geen genocide, de gebeurtenissen van 1915 en 1916 wel.'

In de verklaring voor de genocide duiken begrippen op als islamisme, panturkisme en turkificatie. Ook zouden Armeniërs een vijfde colonne zijn in geval de Russen in het oosten zouden oprukken.

``In mijn werk ga ik ideologie uit de weg, mij gaat het om het reconstrueren van een misdaad. Wie waren de daders? Hoe, en met welke middelen, werd de misdaad uitgevoerd? Op die vragen zoek ik antwoord. De geschiedenis van de Armeense genocide is de geschiedenis van vrouwen en wezen. Mannen werden direct afgemaakt.

``Uit de primaire bronnen, Ottomaanse en andere, blijkt dat in het oosten, waar een oorlog met de Russen werd uitgevochten, Armeniërs ter plekke werden afgeslacht. Elders zijn ze gedeporteerd, waarbij de bezittingen die ze achterlieten intact bleven. Geld, goederen en dieren werden onderweg afgepakt. De reden voor de genocide zou je aan Talat moeten vragen. Panturkisme is geen optie, dat vind je vóór 1917 – het jaar van de Russische revolutie – niet terug in de bronnen. Samen met de islam en de wrede Turk zijn het stereotypen waarvan de overlevenden, die gendarmes zagen maar geen autoriteiten uit Constantinopel, zich bedienden. Eenvoudige verklaringen zijn een dekmantel voor onwetendheid.

``De provocatie-these, die zegt dat de Armeniërs een vijfde colonne waren die zich tegen de Turken zou keren zodra de Russen zouden opdringen, is een verzinsel dat in mei 1915 in de Duitse ambassade in Constantinopel is bedacht. In aangepaste vorm is het direct door de Turken overgenomen en sindsdien maakt het deel uit van het vaste repertoire aan beweringen waarmee de Turkse regering de Armeense visie denkt te pareren.'

Kwamen de deportatie-orders van hoge autoriteiten in Constantinopel?

``Ja, ze kwamen van boven. Het Ottomaanse Rijk was vergaand gecentraliseerd. Bureaucratisch zat het goed in elkaar, de communicatie per telegraaf verliep voorbeeldig. Voor de genocide waren er speciale legerdiensten. Niemand mocht Armeniërs vermoorden zonder toestemming, wie ze op de verkeerde plek ombracht kreeg moeilijkheden. De archieven geven je een vracht aan informatie over de Ottomaanse commandostructuur.'

In uw lezing op de workshop benadrukte u het enorme belang voor de Ottomaanse regering van het inbeslaggenomen Armeense bezit. Welke rol speelde dat?

``De Ottomaanse bureaucratie vreesde dat de Armeniërs en de Koerden wel eens een claim op de oostelijke provincies zouden kunnen leggen. De oplossing voor dit probleem was turkificatie. Turken en moslim-immigranten uit Macedonië en Bulgarije – verjaagd als gevolg van eerdere oorlogen in de Balkan – werden gedwongen zich in het oosten te vestigen. Dat kon alleen door ruimte voor die groepen te creëren. Het Ottomaanse Rijk was arm, er was oorlog, dus de enige manier om die volksverhuizingen te financieren was door beslag te leggen op Armeens bezit. Koerden kon je verplaatsen, dat waren moslims, maar Armeniërs waren christenen met een eigen taal en literatuur, en met eigen organisaties. Ze werden gezien als een bedreiging en dienden te verdwijnen, om plaats te maken voor loyale moslims.

``Armeens eigendom viel toe aan de staat. Fraude op lokaal niveau met verzonnen leningen of geantedateerde koopovereenkomsten werd door Constantinopel krachtig bestreden. Sommige spullen gingen naar het leger: uit Kayseri, zo weten we uit een document, kwam het verzoek om Armeense zeep omdat de soldaten zonder zaten. Moslimbedrijven die Armeense bezittingen voor een prikje in handen kregen, werd informeel gezegd dat terugkeer van de oude eigenaren uitgesloten was.'

Maken de huidige Armeense claims op voormalig bezit in Turkije kans?

``De Armeense genocide is nu een hot topic, omdat het gaat om restitutie en schadevergoeding. Dat is de grootste zorg van de Turkse regering. De Koç holding in het huidige Turkije is niet voor te stellen zonder de Armeense confiscaties. Het denkbeeld van een schadeloosstelling drukt steeds zwaarder op de Turkse regering, en de voorgenomen aansluiting bij Europa brengt het dichterbij. De Armeniërs gaan Turkse bedrijven die hun voormalige eigendommen in bezit hebben voor de rechter dagen. Ik heb het Ottomaanse bevel gezien waarbij een hoge ambtenaar van Binnenlandse Zaken opdracht gaf het bezit van gedeporteerde Armeniërs in beslag te nemen. Dat was zelfs tegen de toenmalige wet. Wanneer historici als ik zulke documenten publiceren, levert dat rechtsgeldig bewijs op waarmee Armeense families Turkse bedrijven voor de rechter kunnen dagen. De eerste zaken lopen al.'

Onderzoekers naar de Armeense Kwestie horen bijna altijd bij een kamp. Kunt u zo'n stempel ontlopen?

``Je hebt de vreemde tweedeling tussen de Armeense en de Turkse kijk op de zaak. Die accepteer ik niet, hoogstens heb je slechte en goede wetenschap. Dat is een professionele beoordeling en of je nu Turk bent of Armeniër of Duitser doet er niet toe.

``Neem het aantal Armeense slachtoffers. Aan de hand van de census van het Armeense patriarchaat, die kloppen met de geboorteregisters die we van een aantal kerken kennen, kom je op anderhalf miljoen. Wellicht meer want over de baby's hoor je niemand. Dat getal doet ertoe: wie nazaten van slachtoffers vertelt dat het er een paar honderdduizend zijn impliceert dat ze eigenlijk niet bestaan, nogal een belediging. De Amerikaanse onderzoeker Justin McCarthy komt in Muslims and Minorities op 600.000 Armeense en 2,5 miljoen moslimdoden. Maar als je de tabellen naast elkaar legt, kloppen de getallen niet. Er zitten elementaire fouten in de wiskunde. In kringen van demografen is het boek nooit besproken. Ik heb collega's die bij verzekeringsmaatschappijen werken en die niets van het boek heel lieten. Niet omdat McCarthy pro-Turks is maar omdat hij slecht werk aflevert.

``Aan de andere kant wordt weleens druk op je uitgeoefend om slecht onderzoek naar de genocide niet te fel te bekritiseren omdat het de Turkse ontkenners in de kaart zou spelen. Natuurlijk grijpen die iedere kans aan, maar als ik zwijg wordt het ook mijn probleem. Je hebt Armeniërs die onder een andere naam hun eigen boeken recenseren. Onwelgevallige zaken weglaten, jezelf omhoog steken, je ziet het bij de ontkenners én bij de gelovigen. Een Armeense bijeenkomst over de genocide is net een eredienst. Ik heb German responsibility in the Armenian genocide gerecenseerd, een boek van de bekende Amerikaanse Armeniër Vahakn Dadrian. Ik kwam tot de conclusie dat de man slordig citeert, dat hij zaken die zijn beweringen tegenspreken negeert. Soms zijn zijn teksten niet meer dan vertalingen van andermans werk. Het zijn fouten die je van geen eerstejaars zou pikken. En dan zwijg ik nog over de aspecten waar hij niet op ingaat. Dadrian is een omhooggestoken public-relations-product en dat zeg ik niet uit jaloezie. Ik hou er niet van om geprezen te worden, het leidt maar tot arrogantie. Het gaat om het werk, om onderzoek naar primaire bronnen. Dat is bij lange na niet af. Als mijn artikelen te zijner tijd bijdragen aan een definitieve monografie over de Armeense genocide, ben ik dik tevreden.'

    • Dirk van Delft