OOK ANDERE PRIMATEN KUNNEN WIJZEN, ZIJ HET ZELDEN IN HET WILD

Wijzen zit dicht aan tegen `verwijzen': refereren in symbolische vorm. Observaties van dieren die elkaar of hun menselijke verzorgers op iets wijzen, of aanwijzingen begrijpen en opvolgen, konden daarom altijd op sceptische ontvangst rekenen. Wellicht was er een vrij simpele associatie in het spel, waarbij het wijzen en gewezen worden geen algemeen geldige communicatieve handeling was, maar voor het dier met één soort gebeurtenis of voorwerp samenhing. Niet dus. Bij een selectieve groep dieren speelt begrip wel degelijk een rol, zo vatten psychologen van de Amerikaanse Emory Universiteit een uitvoerig overzicht samen (Journal of Comparative Psychology 113/4, blz. 417-425).

De psychologen vergelijken het wijzen door apen, mensapen en menselijke baby's en peuters. In het wild wijzen apen en mensapen, voorzover bekend, slechts zelden. Het wijzen met de wijsvinger is een soortspecifiek gebaar van mensen, wanneer je kijkt naar gedrag van gewone apen in zowel de natuur en gevangenschap en dat van mensapen in het wild. Maar in gevangenschap ontwikkelen die laatste – waaronder chimpansees – vaak vrijwel spontaan, zonder expliciete training, het wijzen met de vinger. Zij wijzen ook veelvuldig met de hele hand. Jonge menselijke kinderen wijzen overigens aanvankelijk ook veel vaker met de gehele hand dan vaak wordt erkend.

Mensapen in gevangenschap wijzen, behalve met gebaren, ook nadrukkelijk met de ogen. Vaker dan mensenkinderen van rond een jaar wisselen zij de richting van hun blik herhaaldelijk en betekenisvol af. Menselijke kinderen daarentegen zijn weer sterker vocaal ingesteld.

Mooi getimed komen andere dieronderzoekers in hetzelfde nummer van het Journal of Comparative Psychology met hun bevindingen bij dolfijnen in gevangenschap. Die laten zich uitstekend wijzen, en daarbij speelt meer dan louter dressuur en routine. Zij begrijpen het referentiële karakter van het wijzen van de menselijke hand. Een onderzoeksteam met onder anderen medewerkers van de Universiteit van Hawaii onderwierp een tuimelaar (Tursiops truncatus) aan een uitgebreide test onder strenge condities. Met standaard-handgebaren werd met een aantal varianten verwezen naar voorwerpen die zich ofwel links of rechts van, of achter het dier bevonden. Het dier scoorde hoog, met gemiddelden van 68 tot 77 procent `goed', terwijl de statistische kans daarop 17 procent was.

Net als je overigens bij mensen zou verwachten, zorgde verwijzing naar de plaats achter het dier aanvankelijk voor het meeste onbegrip, met een magere score van 40 procent. Maar toen de proefnemers het volgens het protocol korte tijd werd toegestaan nadrukkelijker, wat overdreven gebaren voor `achter je' te maken, steeg het begrip flink, tot een score van 88 procent.

Kortom, hogere dieren beheersen het wijzen of gewezen worden – en ook honden, zij het met uiteenlopende vaardigheid. Net als mensapen proberen zij veel aan te geven met de blikrichting. Overigens is het een door verscheidene onderzoekers vastgesteld feit dat uiteenlopende dieren zich erg inspannen, en dat vaak ook moeten doen, om betekenis te ontlenen aan voor hen soortvreemde menselijke gebaren en klanken. In het omgekeerde geval doen mensen veel minder hun best. Menige hond of mensaap die nadrukkelijk wijst door alleen herhaaldelijk zijn blik op iets – een voorwerp, een groepsgenoot of een plaats – te vestigen en dan zijn verzorger aan te kijken, gaat onbegrepen door het leven. Een sterke neiging handgebaren te maken en daarop te vertrouwen, verschaft dus ook blikvernauwing.