Houzee

Er is alweer een hele generatie opgegroeid zonder Joseph Antoine Marie Hubert Luns. Dat is het geluk van de jeugd. Het moet heerlijk zijn om niet te weten wie dat ook alweer was, Luns. Hij schijnt het zelf ook niet meer te weten.

Helaas behoor ik tot een generatie die wel met Luns is opgegroeid. Je wordt milder naarmate de jaren vorderen. Ik doe mijn best, al zullen sommige lezers van deze rubriek dat nauwelijks geloven, redelijk, gematigd en genuanceerd te oordelen. Wat ik vroeger haatte, probeer ik in het perspectief van de tijd te zien, van de andere kant te beschouwen, in een geest van verdraagzaamheid waar ik zelf anderen om vraag als het mij betreft.

Bij Luns lukt het me niet. Ik blijf hem haten. Ik haat zijn ploertige arrogantie, door de slaafse journalistiek van die tijd aan het publiek gepresenteerd als een bijzondere vorm van humor van die clowneske toffe peer, die malafide paljas. Ik haat zijn zwendelpraktijken, manipulaties, Westerse superioriteitsgevoel en zijn minachting voor de volksvertegenwoordiging.

Vorig jaar nog schreef J.L.Heldring in deze krant dat `links' altijd de intellectuele, politieke en diplomatieke gaven van Luns heeft onderschat, want een man die negentien jaar (van 1952 tot 1971) achtereen minister van Buitenlandse Zaken is geweest, mag per definitie niet onderschat worden. Wat te denken van een land waar een aartsbedrieger en aartsleugenaar negentien jaar minister in acht kabinetten kan blijven?

Speciaal voor Luns heeft, in mijn perceptie dan, Bob Dylan begin jaren zestig Masters of War geschreven, een aanklacht tegen de hypocriete oorlogsstokers die met al hun geld en macht nooit vergiffenis zullen kunnen kopen en bij wier graf hij, Dylan, zal komen kijken om zich ervan te vergewissen dat zij echt dood zijn.

Luns is 88. Van mij mag hij zijn nadagen in vergetelheid slijten en honderd worden, daar gaat het niet om. Maar laten we tenminste de acht miljoen gulden terugvorderen die Willem Oltmans nu uit de schatkist krijgt omdat Luns het complete apparaat van de Nederlandse diplomatie misbruikte voor een geniepige persoonlijke vendetta. Dat is andere koek dan Peper. Waarom zou de staat dat schandegeld niet op Luns' persoonlijke vermogen verhalen?

En laten we alsnog zelfonderzoek doen. In het tijdperk-Luns is er nooit een parlementaire enquête ingesteld naar wat dan ook. In 1992 haalde de voormalige minister en secretaris-generaal van de NAVO een paar herinneringen op ten behoeve van een boek van J.G.Kikkert, die van bewondering op apegapen lag. Luns pochte dat hij begin 1965 werd benaderd door drie of vier generaals die een staatsgreep wilden plegen en hem tot minister-president wilden benoemen. Zij vreesden dat een kabinet met de Partij van de Arbeid het in het goede vaderland voor het zeggen zou krijgen. Voor een staatsgreep voelde Luns niet, wel beschuldigde hij de PvdA ervan zich als `trekpop van Moskou' te laten gebruiken.

Nog een vermeende staatsgreep. In 1975 of 1976 zou minister-president Den Uyl bezoek hebben gekregen van Luns, toen NAVO-secretaris-generaal. Op zijn werkkamer in Brussel waren Nederlandse officieren hem komen zeggen dat er een einde moest worden gemaakt aan het kabinet-Den Uyl.

De bron van dit typerende Luns-verhaal is W.F.Duisenberg, destijds minister van Financiën. Nooit is onderzocht wie die generaals in '65 en die officieren tien jaar later waren. Nooit is de Tweede Kamer op de hoogte gesteld.

De herinnering aan Luns ritselt niet alleen van diens fantasieën over staatsgrepen, maar staat ook bol van echte oorlogsvoorbereiding. In 1962 werden Nederlandse dienstplichtigen uitgezonden naar Nieuw Guinea. Luns wilde om dat gebied, zogenaamd in naam van het zelfbeschikkingsrecht van de pa-poe-oe-oea's, zoals hij de autochtone bevolking aanduidde, een oorlog met Indonesië ontketenen. Het was hem bijna gelukt ook, als de Verenigde Staten er geen stokje voor hadden gestoken. Volgens Kikkerts boek heeft Luns toen de Amerikanen gedreigd dat Nederland uit de NAVO zou stappen. Niets van dit alles is ooit onderzocht door de Tweede Kamer. In het tijdperk-Luns hadden de politieke elites het horen, zien en zwijgen tot nationaal adagium verheven.

Hoe kon dezelfde Luns die Nederland uit de NAVO wilde vervolgens van 1972 tot 1984 dienst doen als secretaris-generaal van de NAVO? Dat heeft te maken met de pendant van zijn nationale grootheidswaan, een zetbazenmentaliteit die hem nog meer kenmerkte dan zijn voorliefde voor erewachten en uniformen. Vergelijk hem met Lubbers, net als Luns KVP-politicus en atlanticus, maar Lubbers mocht geen secretaris-generaal van de NAVO worden omdat hij, wat men ook verder over de oud-premier mag denken, allesbehalve een meeloper en slavenziel is.

Het kan onbezonnenheid zijn geweest dat Luns van 1933 tot 1936 lid was van de NSB. Met dat belegen feit kwam de oud-politicus deze week weer eens in het nieuws. Zijn schoonzuster vertelt in Elsevier hoe Joseph zijn broer Huib dwong tot een valse verklaring over hun beider NSB-lidmaatschap.

Het is een voetnootje in de geschiedenis.

Doet het ertoe dat op landdagen van de NSB in 1935, toen Luns lid was, werd gesproken over concentratiekampen voor `gespuis' dat nazi-Duitsland ontvlucht was en over het onder speciaal toezicht stellen van joden die zich niet als goed Nederlander zouden gedragen? Is het van belang dat hij zich als aankomend diplomaat liet scholen bij het Deutsche Institut fur Ausländer in Berlijn toen Hitler al vijf, zes jaar aan de macht was?

Op zichzelf nauwelijks. Van belang is dat Luns zijn carrière op een leugen bouwde en altijd chantabel is geweest. De kwestie met Luns is niet dat hij een paar jaar NSB'er was, de kwestie is dat hij decennia lang een smet op de Nederlandse politiek heeft geworpen. Als koloniaal fanaticus, als verheerlijker van het militarisme, als bewonderaar van de fascistische dictators Franco en Salazar, als bedrieger van het parlement, als de politieke farizeeër uit het bekende anti-NSB-lied.

    • Elsbeth Etty