HOOP VOOR KAREL EN ELEGAST

Talen en geschiedenis vormen de zachte sector van het middelbaar onderwijs. Want daar wordt algemeen de docent belangrijker geacht dan het gebruikte lesmateriaal. Zoals literatuurgeschiedschrijver Gerard Knuvelder ooit schreef: `Naast en boven het boek, naast en boven het gedicht of verhaal staat de docent die tot leven wekken moet'. Oftewel: de leraar is de methode. Zijn geestdrift kan de kennis weliswaar niet vervangen, maar zonder geestdrift is die kennis waardeloos.

Dat is ook de mening van de Leidse neerlandicus Hubert Slings, de auteur van `Toekomst voor de Middeleeuwen', een proefschrift over verleden, heden en toekomst van de Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs. Voorzover over dat laatste wat zinnigs valt te zeggen, is Slings optimistisch. Hij voorziet de titel van zijn boek ook niet van een vraagteken en geeft in het algemeen blijk van grote blijmoedigheid. Tegen de klippen op, zou je zeggen, want het aantal uren voor literatuur binnen het schoolvak Nederlands is, naar Slings' eigen berekening, met de invoering van de Tweede Fase op havo en vwo respectievelijk met vijftig en vijfenzeventig procent teruggebracht. Wat overblijft moet de Middelnederlandse literatuur natuurlijk nog delen met de rest van de historische en met de moderne letterkunde.

Slings' blijmoedigheid vloeit voort uit zijn geloof in de geestdrift van de docent. Niet voor niets koos hij het citaat van Knuvelder als motto voor zijn boek. Ze heeft zeker ook te maken met zijn vertrouwen in de door hem ontwikkelde reeks schooledities van historische Nederlandse literatuur. Daarin kwam onlangs het vierde deeltje uit, met liedjes uit de periode 1500-1700 en een cd waarop het ensemble Camerata Trajectina ze uitvoert. Eerder verschenen Karel en Elegast en Reinaert de vos en een bloemlezing uit het werk van Jacob van Maerlant.

In zijn boek beschrijft Slings de methode die aan de reeks ten grondslag ligt en die volgens hem zo'n rooskleurige toekomst belooft voor de Middeleeuwen. Want helemaal zonder methode kan zelfs de geestdriftige docent het niet stellen. De reeks is een verkoopsucces: alleen al van Karel en Elegast gingen zevenduizend exemplaren over de toonbank. Sommige scholen kopen er hele klassensets van in. De deeltjes lijken dus in een behoefte te voorzien. De omslagtekst suggereert waarom: `Voor het eerst worden in deze reeks de resultaten van decennia wetenschappelijk onderzoek volgens de eisen van de moderne didactiek aan de leerlingen gepresenteerd.' Over de wetenschappelijkheid moeten de samenstellers waken, die zonder uitzondering onderzoekers zijn, over de didactiek een `klankbord van leraren' dat de samenstelling van de deeltjes begeleidt.

Het is voor het eerst dat universiteit en onderwijs samen aan een nieuwe reeks schooledities werken. Dat is te merken, want de boekjes zijn tegelijkertijd kennis- en leerlinggericht. Er is veel aan gedaan om ze leuk en afwisselend te maken. Elk deeltje bevat de oorspronkelijke tekst in een herspelling, met daarnaast een moderne vertaling. Dat moet de leerling over de taalbarrière helpen. Geheel nieuw is de afwisseling van tekst en context. Gewoonlijk geven edities de tekst in één keer weer, zonder onderbreking, en staat al het literairhistorisch commentaar in een inleiding. Slings' geesteskinderen daarentegen bieden de tekst in kleine porties aan, die afzonderlijk worden ingeleid en toegelicht. Zo wordt de leerling telkens iets anders geboden en verslapt de aandacht minder snel. Bovendien zijn de teksten, inleidingen en toelichtingen met behulp van verschillende lettertypen, kaders en kleuren opgemaakt, en van een ruime hoeveelheid illustraties voorzien. Dat levert een gevarieerd, hoewel kakelbont, geheel op. Ook de inhoud is flink opgefrist. De uitgegeven teksten mogen dan klassiek zijn, de inleidingen en toelichtingen zijn van deze tijd en vlot geschreven. Dat mocht ook wel eens, want de meeste edities voor school en studie waren hopeloos verouderd en bedaagd van toon. Nieuwe feiten en inzichten stonden er nauwelijks in.

Het onderzoek in de historische Nederlandse letterkunde, vooral de Middelnederlandse, is de afgelopen twintig jaar veel cultuurhistorischer geworden. Niet zozeer de esthetische aspecten van de oude tekst trekken tegenwoordig de aandacht, maar dat wat in het Duits zo mooi de Sitz im Leben heet: de plaats, de functie van de tekst in zijn omgeving. Vandaar ook de naam van de reeks: Tekst in Context. Van die context wordt in de boekjes veel werk gemaakt. Dat levert leuk en leerzaam commentaar op, waarbij de parallel met de actualiteit niet wordt geschuwd. In het nieuwste deeltje, Wilhelmus en de anderen, worden naast Freek de Jonge en Youp van 't Hek ook Lenette van Dongen, De vliegende panters, en de duo's Lebbis & Jansen en Acda & De Munnik aangehaald om de leerling te helpen de overeenkomst te zien tussen hedendaags cabaret en oude liedkunst. Maar ook wordt uitgelegd waarin het verleden van het heden verschilt. Bij het drinklied Rursus ad diversorium – `Terug naar de kroeg' – van Pieter Elsevier staat onder meer het volgende vermeld: ``In de zestiende en zeventiende eeuw had alcohol een andere rol in het dagelijkse leven dan nu. Bij ons zijn koffie, thee melk en fris de doorsnee dranken, vroeger was dat vooral bier! Iedereen, van klein tot groot, dronk het elke dag gewoon aan tafel. De voornaamste oorzaak was de slechte kwaliteit van het oppervlaktewater: op de stads- en dorpsgrachten werd gebruikt water geloosd en behalve als riool dienden ze ook als vaarwegen voor de schepen. Het water was ondrinkbaar. Al in de Middeleeuwen stapte men daarom over op bier.''

Dit soort toelichtingen maakt het mogelijk de liedjes te lezen als bron van het dagelijks leven in de vroegmoderne tijd. Op vergelijkbare wijze kan een rondgang worden gemaakt langs de Opstand, het geloof, de zeevaart, de jeugd, de liefde en het huwelijk in die periode. Dat maakt de boekjes ook zeer geschikt voor het geschiedenisonderwijs. Bovendien kun je de liedjes nog eens laten horen op een cd.

In de kracht van de boekjes schuilt echter ook hun zwakte. Door de overdaad aan context raakt de tekst gemakkelijk uit het zicht, en over die tekst, het verhaal, moet het toch gaan in het literatuuronderwijs. Vooral bij de editie van één enkel werk is dat nadelig, zoals bij Reinaert de vos, dat niet alleen in stukjes maar ook nog eens onvolledig is uitgegeven. Door alle contextuele informatie er meteen bij te geven wordt bovendien de docent buitenspel gezet. Wat valt er voor hem nog tot leven te wekken, wanneer alles, tot en met de lange lijst met vragen en opdrachten aan het eind, al is voorgekookt? Is het niet bij uitstek zíjn taak er Freek de Jonge en anderen bij te halen? Zo lijkt de methode zelfs belangrijker dan de docent. Kennelijk anticiperen de samenstellers op de situatie waarin de leraar er steeds minder aan te pas komt en leerlingen de boekjes zelfstandig doorwerken. De vraag is echter of dat met historische literatuur in deze vorm wel kan. Elk deeltje beslaat om en nabij de honderd pagina's, waarop de samenstellers wel heel veel onderzoeksresultaten hebben kwijt gewild. Zonder begeleiding en selectie lijkt er niet doorheen te komen, zeker niet binnen de krap bemeten tijd – enkele uren – die het historisch literatuuronderwijs op havo en vwo momenteel nog ter beschikking staat. De samenstellers lijken zich daar, getuige de verschillende gebruiksmogelijkheden die ze noemen, ook wel van bewust. Maar de spanning tussen theorie en praktijk blijft bestaan.

Toch ben je geneigd te zeggen: niets veranderen! Door hun omvang, uitvoering en rijke inhoud namelijk tarten de boekjes het lot dat het literatuuronderwijs sinds de invoering van de Tweede Fase is beschoren. Ze vormen nu onbedoeld een aanklacht tegen de tijdkrapte die deze heeft veroorzaakt. Er spreekt optimisme uit, dat versterkt wordt door enquêtes waaruit blijkt dat leerlingen en docenten het literatuuronderwijs, ook dat in de historische letterkunde, de moeite waard vinden, alle beperkingen ten spijt. Slings put er veel hoop uit.

Het literatuuronderwijs kan gewoon niet zonder optimisme. Aan het nut ervan is altijd getwijfeld. Waren middelbare scholieren er niet te jong voor? Viel literatuur wel te onderwijzen en te examineren? Vanaf de jaren zeventig uit de twijfel aan de leerbaarheid zich vooral in leerlinggericht onderwijs met veel nadruk op herkennend en ervarend lezen. In een recente handleiding voor het maken van een leesdossier staat nog vermeld dat het er bij het lezen voor het eindexamen niet in de eerste plaats om gaat of de leerling het boek wel gesnapt heeft. Tegen zoveel onthersening van het literatuuronderwijs helpt een editiereeks die laat zien dat er van en over historische letterkunde wel degelijk iets te leren valt en die tegelijkertijd schreeuwt om meer tijd en aandacht om dat voor elkaar te krijgen.

Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs. Prometheus ƒ42,95

De schoolboekenserie Tekst in Context (Wilhelmus en de anderen, Karel en Elegast, Reinaert de Vos en Jacob van Maerlant) wordt uitgegeven door Amsterdam University Press.

    • Bart Ramakers