Fiscus verhult valkuilen met de rode loper

In het nieuwe belastingstelsel staat iedere woningbezitter voor een beslissing over de koppeling van de levensverzekering aan de eigen woning. Koppelen heeft voordelen, maar vaker nadelen. Deze nadelen zijn pas na verloop van tijd voelbaar. Juist de nadelen van de koppeling dwingen tot een vroege afweging.

De meeste huizenbezitters hebben hun hypotheek tegenover de bank gekoppeld aan een levensverzekering. Een meer formele koppeling in de verzekeringsovereenkomst zelf, lijkt bij het volgend jaar ingaande nieuwe belastingstelsel fiscale voordelen te bieden. Veelal overheersen de onderschatte nadelen, zoals deze rubriek twee weken geleden duidelijk maakte. Een van die nadelen merkt men bij verkoop van de woning. Dan is men zo'n beetje gedwongen de verzekering af te lossen, wat een verlaging van de hypotheek en dus van de aftrek van hypotheekrente betekent. Maar, anders dan wij twee weken geleden schreven, is het niet de wet die tot zo'n aflossing dwingt.

Een polis van een kapitaalverzekering zoals een levensverzekering is geld waard. Dat is ook zo in de fase waarin hij het kapitaal opbouwt dat de verzekeraar later uitkeert. De fiscus belast vanaf 1 januari 2001 deze en andere vermogenswaarden met de zogenoemde vermogensrendementsheffing. Het gaat dan om 1,2 procent van de werkelijke waarde van bijvoorbeeld de polis. In ruil daarvoor vervalt de vermogensbelasting. Verder zijn de inkomsten uit vermogen (zoals rente en huur) niet meer belast. Ook de uitkering die de levensverzekering doet bij overlijden of bij de afloop van de looptijd is onbelast. Het is een voordeel dat de verzekerde de volle vrijheid heeft zijn polis tijdens de rit naar eigen behoefte te wijzigen. Zo kan hij in overleg met de verzekeraar voortaan zonder fiscale gevolgen de premie verhogen of verlagen, een tijdje stoppen met de premiebetaling of het verzekerd kapitaal wijzigen. Hij kan dus tussentijds een deel van het inmiddels opgebouwde kapitaal opnemen. Dat is handig bij acute geldnood. Tot de jaarwisseling staan soms hoge fiscale sancties op dergelijke wijzigingen.

Tegenover deze voordelen staat de vermogensrendementsheffing. Maar daar heeft lang niet elke polishouder echt last van. En wel om twee redenen: royale vrijstellingen en een bescheiden uitvallend tarief. De algemene vrijstelling van de vermogensrendementsheffing is 37.463 gulden (voor twee partners samen 74.926 gulden). Voor polissen die voor 14 september 1999 zijn afgesloten, bedraagt de vrijstelling 272.000 gulden per persoon. Deze hoge vrijstelling voor oude polissen vervalt echter voor degenen die na 13 september 1999 het verzekerd kapitaal hebben verhoogd. Evenmin blijft de vrijstelling gelden als men de looptijd van zo'n `oude' verzekering verlengt.

Bij moderne kapitaalverzekeringen belegt de verzekeraar de premie in aandelen of in een aandelenfonds. De verzekerde profiteert via de einduitkering in het beleggingsresultaat. De verzekeraars rekenen in hun offertes met een rendement van circa acht procent. Zolang de beurs zich redelijk goed houdt, behoort een jaarlijkse vermogensaangroei van 15 procent niet tot de uitzonderingen. Bij dergelijke cijfers doet een jaarlijkse afdracht van 1,2 procent vermogensrendementsheffing nauwelijks pijn.

Wie niettemin tegen de jaarlijkse heffing opziet, kan er onder het nieuwe stelsel voor kiezen de levensverzekering formeel aan de hypotheek op zijn eigen woning te koppelen. In dat geval is men verlost van de vermogensrendementsheffing over de verzekeringspolis. De bevrijdende koppeling kent enige knellende voorwaarden. De belangrijkste wettelijke voorwaarde is dat de polis (voortaan) moet vermelden dat de uitkering enkel en alleen voor de aflossing van de hypotheek zal worden gebruikt. Een deels afgeloste hypotheek leidt tot een lagere hypotheekrente en dus een ingeschrompen fiscale aftrekpost. De tweede voorwaarde is dat men tenminste 15 jaar (of tot overlijden) door moet gaan met het betalen van premie op de polis. De jaarlijkse betaling mag slechts geringe uitslagen vertonen. Een volgende eis is dat de verzekering alleen recht geeft op een eenmalige uitkering bij leven of overlijden. Tenslotte is de regeling alleen mogelijk voor het pand dat de polishouder als hoofdverblijf dient.

Hoewel men op basis van al deze voorwaarden de vermogensrendementsheffing ontloopt, krijgt men met een andere heffing te maken: de ouderwetse progressieve inkomstenbelasting. Die belast het verschil tussen de uitkering en de in totaal betaalde premies tegen een tot 52 procent oplopend tarief. Bij `klassieke' laag renderende polissen is dan nog wel aanvaardbaar. Maar bij de moderne `aandelenpolissen' gaat het bij een redelijk beursklimaat al snel om tonnen aan belasting. Maar ook hier geldt een vrijstelling en wel van 267.751 gulden per persoon, mits men tenminste 20 jaar lang (of tot overlijden) premie heeft betaald. De vrijstelling is eenmalig al mag men hem eventueel stukje bij beetje opgebruiken. Tot slot nog een opsteker voor degenen die voor 31 december 1991 een polis afsloten voor een aan de eigen woning gekoppelde kapitaalverzekering. De inkomstenbelasting laat voor deze oude polissen de bestaande algehele vrijstelling bij uitkering onder de geldende voorwaarden in stand.

Zo presenteren beide mogelijkheden zich aan de huizenbezitter. De gebruikelijke polis is gepaard aan de vermogensrendementsheffing maar biedt vrijheid inclusief een belastingvrije uitkering. De formele koppeling bevrijdt de hypotheek van de vermogensrendementsheffing maar kent veel beperkingen en leidt tot een progressieve eindheffing. In beide gevallen wordt het beeld gecompliceerd door vrijstellingen waar ook weer voorwaarden aan zijn verbonden.

De huizenbezitter staat niet alleen bij de komende jaarwisseling voor de keuze tussen beide systemen. Zijn dilemma is permanent maar wordt bij een verhuizing duidelijk zichtbaar. Ook dan kan de huiseigenaar die voor de koppeling heeft gekozen, de progressieve eindafrekening voor zich uit schuiven. Hij kan namelijk de polis naar de volgende woning doorschuiven. De wet legt hem daarbij niets in de weg, maar zijn eigenbelang waarschijnlijk des te meer. De belangrijkste dreiging vormt de progressieve inkomstenbelasting over de `beleggingswinst' die bij een goed beursklimaat flink kan oplopen. Wie zeker weet dat hij 20 jaar de premie blijft betalen, kan op de hoge vrijstelling rekenen. Overigens kan ook dan een forse aanslag overblijven. Wie binnen de minimale termijn van premiebetaling ontkoppelt, wordt toch met de progressieve heffing geconfronteerd. Maar misschien is de `beleggingswinst' dan nog niet zo hoog opgelopen. De wet laat dan wel alle vrijheid, maar wie laat zich vrijwillig bijten door de hoge progressieve heffing zonder nog recht te hebben op de bijbehorende hoge vrijstelling?

Het complicerende van de keuze rondom de koppeling, is dat een rekenapparaat en een wetboek onvoldoende zijn om het goede antwoord te vinden. Men moet ook voorzien of door een verhuizing, echtscheiding of andere omstandigheden een financiële druk kan ontstaan die noopt tot afkoop van de polis. (Overlijden kan ook fiscale problemen geven. Daarvoor bestaan uitwegen, maar dat is een ander verhaal.) Bij formeel gekoppelde hypotheken kan men immers met een onhebbelijk zware heffing worden geconfronteerd.

Verder moet men ook politieke ontwikkelingen incalculeren. Hoe groot is de kans dat Financiën ooit de huidige royale vrijstellingen verlaagt? Hoe onaantastbaar is de aftrek van hypotheekrente? Het zijn maar enkele vragen. De mensen met een gekoppelde polis met zijn vele voorwaarden worden het meest kwetsbaar voor de effecten van onvoorziene persoonlijke of politieke veranderingen. De fiscus heeft voor de gekoppelde verzekering de rode loper uitgerold, maar die verbergt een paar gevaarlijke valkuilen.

volledige vrijheid polis te wijzigen

    • Aertjan Grotenhuis
    • Kees van Hooft