DE KUNST VAN HET LUISTEREN

Verrast. Dat is dr. Martine Delfos, psycholoog en therapeut, keer op keer wanneer ze hoort hoe adequaat kinderen hun gedachten verwoorden. Zoals een jongetje dat bij de vraag `wat is nu?' antwoordt: `dat is al voorbij'. ``Volwassenen vinden het grappig hoe kinderen dingen zeggen, omdat ze het verkeerd zeggen, maar het is buitengewoon slim. Ik pleit voor meer respect voor de wijsheid van het kind.'

Delfos schreef het onlangs verschenen boek `Luister je wel naar míj? Gespreksvoering met kinderen tussen vier en twaalf jaar'. Het wetenschappelijk gefundeerde en door talloze voorbeelden erg leesbare boek voorziet in een behoefte aan meer houvast in het voeren van gesprekken met jonge kinderen, een nog nauwelijks beschreven terrein. ``Voor zover wij weten is dit het eerste handboek hierover', vertelt Delfos in haar praktijk in Utrecht.

Wereldwijd onderzoek laat zien dat de kwaliteit van gespreksvoering met kinderen afneemt naarmate kinderen jonger zijn en dat de manier waarop de gesprekken verlopen bepalend is voor de informatie die jonge kinderen (tot twaalf jaar) geven. Delfos wijst in dit kader op twee belangrijke hindernissen. De eerste is de taal. ``Volwassenen denken vaak dat als een kind alle woorden kan uitspreken, het ook alles kan zeggen. Dat is niet zo. Kinderen stellen vaak repeteervragen omdat ze niet weten hoe ze hun vraag moeten formuleren en volwassenen denken dan vaak dat het kind niet luistert.'

De tweede hindernis is het gebrek aan respect van volwassenen voor kinderen. Nog maar negentien jaar was Delfos toen ze in een college een geval hoorde dat haar haar leven lang bijbleef. ``Een jongetje was dol op zout. Hij likte het zout van de crackers en snoepte stiekem uit de zoutpot. Maar te veel zout is slecht en dus werd het jongetje toen hij drieëneenhalf was in het ziekenhuis op een dieet gezet met een normaal zoutgehalte. Binnen zeven dagen was hij dood. Bij de autopsie bleek dat het kind een ziekte had die een tekort aan zout veroorzaakte en dat hij zich in leven had gehouden door veel zout te eten.' Dit bracht Delfos tot het besef dat volwassenen meer respect moeten hebben voor de deskundigheid van het kind. `The most powerful weapon in empowering the child is adult modesty', schrijft ze voor in haar boek.

Ook gebrek aan interesse schaart Delfos onder gebrek aan respect. ``Kinderen groeien op met de woorden `wacht even'. Onderzoek van Kiili uit 1999 laat zien dat kinderen het gevoel hebben dat volwassenen geen belangstelling voor ze hebben, alleen als het gaat om de onderwerpen ziekte, pesten en school. ``Dus wat doe je als kind als je aandacht wilt? Je zegt: ik heb buikpijn. Dan heb je ze te pakken', zegt Martine Delfos lachend, terwijl ze met haar hand een denkbeeldige papa aan zijn stropdas trekt.

In haar boek verwijst Delfos naar oude ideeën dat het kind opgevouwen zat in een spermacel en alleen moest groeien na de geboorte. ``Een van de verdiensten van de ontwikkelingspsychologie is dat zij heeft laten zien dat een kind geen onvolwaardige volwassene is, maar een mens met eigen kenmerken, eigenschappen en mogelijkheden.' Deze haast antropologisch manier van kijken naar kinderen is de kern van Delfos' boek. ``Kinderen gebruiken meer mogelijkheden om zich uit te drukken dan volwassenen. Het is het gebrek van volwassenen dat zij taal nodig hebben om te kunnen communiceren. Als een kind troost nodig heeft gaat het tegen je aan staan. Een volwassene hoeft dat niet te proberen.'

Delfos gaat ook in op culturele verschillen. Een bekend voorbeeld is dat Marokkaanse kinderen leren dat het onbeleefd is om een volwassene in de ogen te kijken. Delfos: ``Ik pleit er niet voor dat allochtone kinderen je niet hoeven aan te kijken in een gesprek. Maar ik zeg wel: besef wat je doet als je als docent zegt: kijk me aan als ik tegen je praat! Dan zet je zo'n kind in zijn ogen aan tot oneerbiedig gedrag.' Uiteindelijk is natuurlijk de bedoeling dat ook het kind beseft dat het aankijken van volwassenen verschillende betekenissen kan hebben.

Het boek beschrijft de vooroordelen over de communicatie van kinderen, zoals het niet kunnen scheiden van fantasie en werkelijkheid. ``Een kleuter weet dat de kabouter die hij zegt over het gras te zien lopen niet echt bestaat, en de hond die er werkelijk loopt, wél. Een kind ziet een volwassene echter als alleswetend en acht het onnodig te vermelden dat hij van de werkelijkheid even overspringt naar fantasie. Wil je dat een kind geen fantasieverhalen ophangt dan moet je dat duidelijk maken: ik wil alleen horen wat echt gebeurd is. In een gesprek is het belangrijk voor een kind om te weten wat er van hem verwacht wordt.'

In haar boek put Delfos uit recente internationale onderzoeken naar de belevingswereld van kinderen. ``We zien nu dat kinderen veel beter communiceren dan we altijd dachten, maar nu denkt iedereen dat zijn kind hoogbegaafd is. Onzin, het zijn hele gewone kinderen, die hele diepzinnige dingen kunnen zeggen.' Kinderen kunnen volgens Delfos veel vertellen over hun belevingswereld, mits volwassenen de hindernissen overwinnen en kinderen de ruimte en eventueel een helpende hand bieden. ``Je moet als volwassene op gelijke hoogte gaan zitten, letterlijk en figuurlijk, dan creëer je gelijkwaardigheid en dat is de basis voor een goed gesprek.'

Op basis van de literatuur heeft Delfos een model ontworpen, waarin per leeftijdscategorie de belangrijkste voorwaarden voor een goed gesprek worden beschreven. Zo wijst ze op het belang van metacommunicatie: praten over het praten. ``Als in de kring in de klas een kindje vraagt `hoe oud kun je worden als je vier bent' zegt de docent al snel `heel oud!' Logisch, maar waarschijnlijk zit er achter zo'n vraag veel meer. Dit is een praktijkgeval van een kind wiens zusje van vier leukemie had en hij had opgevangen dat zijn zusje dood kon gaan. Dat wilde hij wel even met de juf bespreken, maar dat is moeilijk onder woorden te brengen. Op zo'n moment kun je met metacommunicatie verder komen. `Ik vind dat een heel bijzondere vraag die je me stelt. Is er misschien iets anders wat je wilt weten?' Ga niet zeggen: `waarom vraag je dat', want dan roep je zo'n kind ter verantwoording en verbreek je het contact.'

Belangrijke vragen die kinderen stellen zijn volgens Delfos te herkennen aan de stilte die aan zo'n vraag vooraf gaat. ``Ik heb dat uit eigen ervaring, ik kan het niet met onderzoek staven, maar het is wel logisch: het kind denkt na over de vraag. Als je zo'n stilte opmerkt, en dat kan ook in de drukte van de klas, kijk dan of je dat kind kunt helpen de goede vraag te stellen. Dat is de helpende hand die volwassenen kunnen bieden.'

M.F. Delfos, `Luister je wel naar míj? Gespreksvoering met kinderen tussen de vier en twaalf jaar.' Uitgeverij Swp, ISBN 906665340X ƒ39,75

    • Jacqueline Kuijpers