Bolkesteins Verlichting is niet van iedereen

De visie van Frits Bolkestein op de Verlichting is bepaald niet uitnodigend voor migranten. Probleem is niet het moslim-fundamentalisme, maar het feit dat de islam pas relatief kort onderdeel is van het Europese `tolerantie-bestel', vindt Siep Stuurman.

De poging van Frits Bolkestein de Verlichting in te zetten tegen de multiculturele samenleving (NRC Handelsblad, 20 mei) roept enkele interessante historische en filosofische vragen op. Om te beginnen zit in zijn betoog een opmerkelijke retorische spanning: aan de ene kant stelt hij dat de Verlichting universeel is, maar tegelijk spreekt hij erover als een Europees cultuurgoed, iets dat `van ons' is en niet van andere culturen, met name: niet van de islamitische cultuur. Bolkesteins Verlichting is geldig voor iedereen, maar hij is niet van iedereen. Dat is geen aantrekkelijk uitgangspunt voor de dialoog met immigranten, die ook Bolkestein bepleit. Een gedachtengoed dat door Europeanen met zoveel aplomb als `het onze' wordt gepresenteerd, is de facto niet universeel. De `ontmoeting met de ander' lijkt in het betoog van Bolkestein nog het meest op een pedagogische onderneming waarin `wij' Europeanen de `anderen', migranten of islamieten, uitleggen hoe zij zich dienen te gedragen en welke waarden zij zich eigen moeten maken.

Nu is er voor dat uitgangspunt in de liberale traditie waarop Bolkestein zich beroept inderdaad steun te vinden. Niemand minder dan de grote negentiende-eeuwse liberale denker John Stuart Mill, de auteur van On Liberty, heeft de stelling verdedigd dat er volkeren en culturen bestonden die, historisch gesproken, `minderjarig' waren en daarom door andere, meer `verlichte' naties dienden te worden opgevoed. Het is echter de vraag of Mill's opvatting de enig mogelijke conclusie is uit het Verlichtingsdenken. Ik denk het niet, maar om dat duidelijk te maken moeten we een idee introduceren dat door Bolkestein uitdrukkelijk wordt verworpen, namelijk het cultureel relativisme.

Voor de denkers van de Europese Verlichting was het cultureel relativisme een bijna vanzelfsprekende denkfiguur. Ten eerste maakte het deel uit van het klassieke intellectuele erfgoed van de Europese cultuur. Het cultureel relativisme is, zoals zoveel dingen, uitgevonden door de Grieken. We vinden het in de Historiën van Herodotus. Als men alle mensen vraagt de beste wetten uit te kiezen, aldus Herodotus, dan zouden ze allemaal na rijp beraad hun eigen wetten kiezen, `zo vast is elk volk ervan overtuigd dat de eigen zeden niet te overtreffen zijn'.

Ten tweede stelde de overvloedige reizigersliteratuur de Europeanen op de hoogte van de zeden en gewoonten van alle volkeren in de wereld waardoor het mogelijk werd de eigen Europese cultuur als minder vanzelfsprekend te zien. De Verlichting maakte vaak gebruik van een `buiten-perspectief' om aspecten van de Europese cultuur te kritiseren. Men denke slechts aan Montesquieu's Lettres Persanes waarin Frankrijk becommentarieerd wordt door imaginaire Perzische reizigers. Eén van hen merkt bijvoorbeeld op dat in Europa een grote tovenaar woont die `de Paus' genoemd wordt; deze magiër is zo machtig dat hij zelfs de koning van Frankrijk kan laten geloven dat drie hetzelfde is als één.

Diderot's Supplement au voyage de Bougainville bevat een meeslepende analyse van de destructie van andere culturen door de Europese expansie. De Histoire Philosophique et Politique des Etablissements et du Commerce des Européens dans les Deux Indes van de Abbé Raynal, één van de meest gelezen werken van de late Verlichting, bevat een massieve aanklacht tegen de hebzucht en de arrogantie van de Europeanen. Zo ontstond in het Verlichtingsdenken een productieve spanning tussen een Eurocentrisch vooruitgangsdenken en een cultureel relativisme, dat de nadruk legde op de willekeurigheid en de veranderlijkheid van alle culturen, ook de Europese. Het is precies die productieve spanning die in Bolkesteins versie van de Verlichting ontbreekt.

Net zo ging het met andere grondbegrippen van de Verlichting zoals rationaliteit, vrijheid en gelijkheid. Juist omdat de philosophes échte universalisten waren, moesten ze wel op de paradox stuiten dat deze ideeën niet alleen gebruikt konden worden om de superioriteit van Europa te demonstreren, maar ook om het fundamentele recht op autonomie en eigenheid van buiten-Europese volkeren te funderen. De Verlichting kon daardoor zowel leiden tot een pedagogisch kolonialisme als tot een principiële verwerping van ieder koloniaal project.

Bolkestein zal mij tegenwerpen dat er toch bepaalde waarden zijn die niet willekeurig zijn. Zelf noemt hij de scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting, verdraagzaamheid en non-discriminatie, kortom de grondslagen van de liberale democratie. Merkwaardig genoeg verwijst Bolkestein niet naar de grondwaarden vrijheid en gelijkheid waarmee alle Verlichtsfilosofen beginnen. Ik ben het over die waarden wel met hem eens, maar dat betekent slechts dat ik het ethisch relativisme verwerp. Dat is niet hetzelfde als het cultureel relativisme.

Het cultureel relativisme houdt in dat geen enkele cultuur intrinsiek superieur is aan andere culturen, het vloeit rechtstreeks voort uit het basisprincipe van de gelijkwaardigheid van alle mensen. Het lijkt me verstandig in de discussie over de multiculturele samenleving onderscheid te maken tussen ethisch en cultureel relativisme, om te voorkomen dat de verdediging van een ethische norm wordt gelezen als een en-bloc veroordeling van een cultuur.

De (juiste) stelling `eerwraak is in strijd met de universele norm van persoonlijke vrijheid en met het verbod op het gebruik van geweld tussen burgers onderling' leidt bijvoorbeeld niet dwingend tot de (zeer betwistbare) stelling dat `de' Europese civilisatie superieur is aan `de' islam. Als we werkelijk een eerlijke en open dialoog willen met immmigranten en moslims, zijn dit soort nuanceringen waarlijk geen overbodige luxe.

Maar de verwerping van het ethisch relativisme is ook niet zonder problemen. Het tegendeel van ethisch relativisme is ethisch absolutisme. Bepaalde normen zijn absoluut, of, in Bolkesteins termen `niet onderhandelbaar'. Bolkestein hamert echter ook, en terecht, op de tolerantie en de scheiding van kerk en staat. Nu waren traditioneel de grote wereldgodsdiensten (jodendom, christendom, islam) de hoeders van het morele absolutisme, maar precies daarom waren ze mordicus tegen de scheiding van kerk en staat, die in hun ogen op een verwerpelijk moreel relativisme neerkwam. De orthodoxie in de drie grote religies meent ook heden ten dage nog dat het uitgangspunt dat ethische normen een menselijk artefact zijn noodzakelijkerwijze tot relativisme leidt. Hoe heeft de Verlichting dat probleem nu opgelost, en is het überhaupt eigenlijk wel opgelost?

Ten eerste heeft de meerderheid van de Verlichtingsdenkers een stap in de richting van het ethisch relativisme gezet door te stellen dat de meeste religieuze voorschriften niet absoluut of universeel waren. Dat deden ze niet zozeer op grond van comparatief antropologisch onderzoek als wel uit noodzaak. De godsdienstoorlogen hadden menigeen in Europa doen inzien dat tolerantie het enige verstandige alternatief voor burgeroorlog was, terwijl de meeste Verlichters bovendien meenden dat godsdienstvrijheid ook principieel beter was dan kerkelijke dwang. Het gevolg was dat ethische normen onvermijdelijk tot inzet van debat en onderhandeling werden. Met dat probleem leven wij nog steeds.

De geschiedenis van de tolerantie is ook voor de huidige discussie over de multiculturele samenleving nog relevant. Tolerantie begon in Europa als een zaak van katholieken en protestanten. De zeer verlichte Nederlandse republiek trok bijvoorbeeld de grens bij de zogeheten Socinianen, de kleine protestantse groep die de doctrine van de Drievuldigheid verwierp; die stroming werd niet getolereerd. De joden werden gedoogd, maar hadden voor de Franse revolutie nergens een echt gelijkwaardige status. Atheïsten werden aanvankelijk volstrekt uitgesloten, en zelfs na de Napoleontische tijd lang niet overal gelijkgesteld. Tolerantie, kortom, was steeds een kwestie van gevestigden en nieuwkomers.

In de huidige discussies is dat goed te merken, daarin wordt de islam bejegend als een typische nieuwkomer in het Europese `tolerantie-bestel'. Dát, en niet het beruchte fundamentalisme, is het echte probleem. Fundamentalisme komt immers onder katholieken, calvinisten en joden ook voor, maar die varianten van fundamentalisme worden tegenwoordig gezien als vertrouwd en gedomesticeerd (de historische variant van het de-soep-wordt-niet-zo-heet-gegeten principe). Inzake de islam overheerst echter het wantrouwen.

Voor veel protestanten en de meeste katholieken was tolerantie een second best optie. Gegeven de hoge kosten van godsdienstige conflicten waren ze bereid de tegenpartij ruimte te geven. Tolerantie ging over het gedogen van praktijken en opinies die men feitelijk verafschuwde. In eigen kring vond bijna iedereen een zeker conformisme wenselijk. Ook hier heeft de Verlichting een ambivalent resultaat geproduceerd, want naast de individuele vrijheid stond de vrijheid van godsdienst, die in de praktijk vrijwel altijd neerkwam op een soort soevereiniteit in eigen kring. Zo kon de liberale staat het huwelijk als contract beschouwen, terwijl de katholieken in eigen kring hun onontbindbare, sacramentale kerkelijke huwelijk mochten houden. Het voorbeeld is niet toevallig gekozen. De grensconflicten tussen religieuze culturen betreffen opvallend vaak gender issues die voor alle betrokkenen een hoge morele en emotionele inzet hebben.

De cruciale vraag is hier, telkens opnieuw, in hoeverre de liberale staat zijn individualistische vrijheidsbeginsel kan en moet doorzetten in het intern functioneren van godsdienstige subculturen. Het probleem met Bolkesteins benadering is dat hij te abstract is. Met de vrijheid als grondprincipe dient niet gemarchandeerd te worden, dat lijkt me evident. Maar over de preciese grenzen van de vrijheid in concrete gevallen moet in een democratische samenleving, in tegenstelling tot wat Bolkestein meent, in vele gevallen juist wel onderhandeld worden: mogen katholieken vrouwen uit het priesterambt weren? Mogen orthodoxe protestanten vaccinatie weigeren of homoseksuele leraren uit hun scholen zetten? Allemaal vragen waarop het antwoord niet eenvoudig te geven is, omdat ze samenhangen met de afgrenzing van de publieke ruimte en de particuliere sfeer.

In het debat over de multiculturele samenleving lijkt het me van levensbelang dit soort vragen zo scherp en concreet mogelijk te formuleren, en in elk geval de indruk te vermijden dat met twee maten wordt gemeten. Als ergens de dialoog belangrijk is, dan hier: de discussie moet gevoerd worden met de betrokkenen, niet over hen, bij hen en zonder hen.

De islam dient behandeld te worden als iedere andere godsdienst, niet slechter en niet beter. Als de Nederlandse samenleving in grote meerderheid meent dat scholen op basis van een godsdienstige subcultuur schadelijk zijn, dan moet het parlement het pacificatie-artikel uit de grondwet schrappen. Zolang dat niet gebeurd is, dienen islamitische ouders die voor hun kinderen een eigen school wensen precies dezelfde rechten te hebben als katholieken, protestanten en joden. Dat volgt dwingend uit het gelijkheidsbeginsel. Verder is het zaak om respect voor de wettelijke regels goed te onderscheiden van culturele aanpassingsdwang. De liberale rechtstaat impliceert dat iedereen zich aan de wet houdt, niet dat iedereen gedwongen wordt innerlijk liberaal te worden. Wie dat laatste eist, pleit feitelijk voor gedwongen assimilatie.

Tenslotte is het verstandig de Europese Verlichting in een mondiaal perspectef te zien. Wereldhistorisch hangen de Europese expansie en de Verlichting ten nauwste met elkaar samen. We kunnen niet onbekommerd over de Verlichting spreken, alsof die geschiedenis niet heeft plaatsgevonden. De cultuur van een samenleving bestaat nu eenmaal in het medium van herinnering en geschiedenis. Europa heeft de halve wereld veroverd en heeft zijn imperia vervolgens (nog maar kort geleden) weer verloren, maar de culturele en intellectuele gevolgen van die onderneming kunnen niet ongedaan worden gemaakt. Ook hier moeten we niet met twee maten meten. Als de Europeaan Bolkestein de islam toetst aan de meetlat van de Verlichting, dan heeft iedere islamiet het recht de Europese geschiedenis met dezelfde maatstaf te beoordelen.

Meer historische nuance en een zekere bescheidenheid zou onze kijk op de Verlichting en op de multiculturele samenleving een stuk realistischer maken. De stelling dat Verlichtings-ideeën in de geschiedenis van de islam geen rol van betekenis hebben gespeeld is historisch eenvoudig onjuist. Dat is niet alleen een kwestie van het corrigeren van een eenzijdige beeldvorming – hoe belangrijk dat ook is –, het is tevens van betekenis voor de huidige discussie over de islam in Europa. De polarisering van de islam in een modernistische en een orthodoxe vleugel is een proces dat zich momenteel op wereldschaal voltrekt, en dat in een aantal opzichten lijkt op de interne conflicten die zich de afgelopen eeuwen in het christendom hebben afgespeeld.

De debatten over de multiculturele samenleving in Europa zullen minder alarmistisch worden en aan scherpte winnen, als we ze wat meer in dat wereldhistorische perspectief plaatsen. Het intellectuele erfgoed van de Verlichting kan ons daarbij behulpzaam zijn, mits de Verlichting niet wordt gereduceerd tot een inburgeringscursus onder leiding van een gezelschap zelfgenoegzame Europese bovenmeesters.

Prof. dr. S. Stuurman is hoogleraar Europese Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    • Siep Stuurman