Beurs en oorlog

ALS DE EFFECTENBEURS in Amsterdam en de banken dachten dat het conflict met de organisaties van de slachtoffers van de jodenvervolging wel los zou lopen, dan begint het er nu toch wel anders uit te zien. De onderhandelingen tussen de beurs en het Centraal Joods Overleg (CJO) over de in de Tweede Wereldoorlog geroofde en deels nooit terugbetaalde aandelen zijn vastgelopen op het verschil tussen tegemoetkoming en restitutie. Niet alleen houdt het CJO vast aan zijn claims, ook vanuit de Verenigde Staten wordt de druk nu opgevoerd. De speciale commissie-Hevesi in New York, gevormd door topfunctionarissen uit de kring van overheidsfinanciën, heeft beurs en banken deze week een ultimatum gesteld. Als er binnen dertig dagen geen akkoord is, zou er een boycot in de VS dreigen. Het is een middel dat eerder in het geval van Zwitserland zijn kracht al heeft bewezen.

Het gaat minimaal om een half miljard gulden, het na inflatie en rendement gecorrigeerde bedrag dat in 1953 niet is terugbetaald aan de bestolen aandeelhouders. Dat is een conservatieve schatting. Deze week is ook een rapport van het State Department uit 1946 geopenbaard. Volgens dit onderzoek zou in Nederland drie miljard gulden zijn geroofd: ,,De meest fabelachtige'' diefstal in onze tijd, aldus het departement toen.

MET DE BOYCOTDREIGING komt het gevecht om het geroofde geld nu op machtspolitiek niveau. Dat organisaties als het CJO en andere belangengroepen het conflict met de beurs en de banken scherp spelen, is logisch en gerechtvaardigd, hoewel het moeilijk blijft om de claims van individuele slachtoffers te collectiviseren en soms de vraag rijst wie namens wie spreekt. In formele zin is de zaak bovendien verjaard. Maar in morele zin staat vast dat de Amsterdamse beurs zich tijdens én na de oorlog van haar kille en vrekkige kant heeft laten zien.

De interventie van de commissie in New York gaat echter een stap verder. Het is niet het CJO dat oproept tot een boycot, maar een groep bankiers. Het bankbedrijf trekt zich steeds minder aan van grenzen. Toch roept het vragen op wanneer een Amerikaanse commissie met een publieke taak zo direct partij kiest in een buitenlandse controverse. Er zijn voorbeelden van het omgekeerde te bedenken waarin een dergelijke bemoeienis aan Amerikaanse zijde niet op prijs zou worden gesteld.

DE NEDERLANDSE bankiersvereniging zwijgt vooralsnog. En de beurs hoopt op een succesvolle voortzetting van de onderhandelingen met het CJO, begin volgende maand. Sinds afgelopen week is hun speelruimte niettemin beperkt. Nu het machtswoord in New York is gesproken, staat hun imago op het spel. Daar kan geen reclamecampagne tegenop. Zij kunnen nu alleen nog een doorbraak forceren in de gesprekken met het CJO hier. Een fatsoenlijke afhandeling van de geroofde vermogens is namelijk in het belang van Nederland en zijn kijk op het eigen verleden, dat lang om begrijpelijke én onoirbare redenen is verdonkeremaand.