Atalanta is er vroeg bij

Veldgids Dagvlinders. Irma Wynhoff, Chris van Swaay, Jan van der Made. KNNV Uitgeverij, 1999. Prijs ƒ49,95

ISBN90 5011 123 8

De Nieuwe Vlindergids. Vertaling en bewerking: Inge van Halder.

Uitgeverij Tirion Prijs, 1999, ƒ69,50. ISBN 90 52 103259. Vertaling van: Butterflies of Britain & Europe. Tom Tolman (tekst) en Richard Lewington (tekeningen). Uitg. Harper Collins, 1997. Prijs £17,99. ISBN 0 00 219991 0

De mooie dagen in het begin van deze meimaand waren ook prachtige vlindervliegdagen. Massa's Dagpauwogen, Koolwitjes, groot, klein of geaderd, Landkaartjes, Groentjes en Citroenvlinders dwarrelden langs. Ook in de rest van Europa is het kennelijk gunstig vlinderweer geweest, want afgelopen weekend trokken op Goeree Overflakkee de eerste Atalanta's van het seizoen langs. Die arriveren hier traditioneel pas in de loop van juli na een lange vliegtocht uit Zuid-Europa.

Gelukkig is de Atalanta in de vlucht herkenbaar, met zijn bijna zwarte vleugels met oranje strepen en witte vlekken. Determineren met de nieuwe Veldgids Dagvlinders zou anders problemen hebben gegeven. Die raadt aan om bij problemen met het determineren op uiterlijk ook op geografische verspreiding, de vliegtijden gedurende het jaar te letten. Bij sterk op elkaar lijkende vinders, zoals de eindeloze serie blauwtjes, is dat vaak nodig. Maar een warm voorjaar werkt kennelijk verstorend. De Veldgids Dagvlinders geeft van iedere soort in een graphic weer wanneer hij in Nederland rondvliegt. De schrijvers verwachtten de Atalanta pas eind juli in Nederland.

Vorig jaar verschenen twee nieuwe Nederlandstalige vlindergidsen. De een is origineel Nederlands werk, de ander is een vertaling en bewerking van een Britse gids.

Wie een Nederlandse vlindergids zoekt en die mee wil nemen om onderweg te raadplegen is het best af met de Veldgids Dagvlinders. Er staan 146 vlinders in, met fotootjes van hun onderkant en bovenkant, van mannetje en vrouwtje. Op de bovenzijde van ieder vlinderlijfje is overigens een speldenknopje te zien, want er zijn verzamelde, opgeprikte diertjes gefotografeerd. Misschien is het omdat ze al lang dood zijn dat de vlinders in de Veldgids wat flets overkomen. Anders heeft de drukker zijn werk niet goed gedaan. Het voordeel is dat een echte Atalanta, of de in de heldere voorjaarszon feloranje weerkaatsende vleugels van een Landkaartje toch altijd weer veel mooier is dan wat het boek toont.

De Veldgids Dagvlinders behandelt vlinders die in Nederland, Groot-Brittannië, België, Noord-Frankrijk, Luxemburg, Duitsland en Denemarken rondvliegen. De uit het Engels vertaalde Nieuwe Vlindergids beschrijft driemaal zoveel vlinders (450) en bestrijkt heel Europa, zelfs nog de noordelijke rand van Afrika. Dat resulteert in een ontmoedigend aantal van bijna 50 verschillende parelmoervlinders en ruim 80 blauwtjes die zonder determinatietabellen moeten worden onderscheiden. Van Purperstreepparelmoervlinder tot Macedonisch bleek blauwtje kregen alle vlinders, ook soorten die Nederland nog nooit hebben gezien, Nederlandse namen. De Nieuwe Vlindergids is compleet en onmisbaar voor wie verderop in Europa, buiten het Noordwest-Europese laagland vlinders kijkt.

In Nederland is de Veldgids Dagvlinders handzamer, ook al omdat beschrijving en foto steeds op dezelfde bladzijde staan en de verspreiding (op kaartjes) de vliegtijden (in grafiek) en de zeldzaamheid (in grafiekje) steeds in een oogopslag zijn af te lezen. De van oorsprong Britse gids heeft alle (prachtige) tekeningen op kleurenplaten middenin het boek bij elkaar gezet. De Veldgids biedt bij de moeilijk onderscheidbare blauwtjes en parelmoervlinders ook hulp met tekeningen waarin de specifieke vlekpatronen van de vlinders worden aangewezen.

Maar voor de in Nederland verblijvende vlinderaar biedt de Veldgids toch niet het optimum aan gebruiksgemak. Soorten die nooit in Nederland vliegen hebben een even prominente plaats als de in Nederland veelvoorkomende vlinders. Voor het op naam brengen van blauwtjes is het handig te weten dat het Bosblauwtje en het Icarusblauwtje de meest gezien soorten in Nederland zijn. Maar dat staat nergens. Van de 146 in de Veldgids behandelde soorten zijn er maar 70 inheems en daarvan zijn er ook nog eens zeventien uitgestorven. Van de resterende soorten zijn er maar 23 vaak te zien. De ideale veldgids begint met die meestvoorkomende soorten en verwijst daarna – onder vermelding van karakteristieke verschillen – naar daarop lijkende zeldzamer soorten. Zo'n determinatiesysteem is best op te zetten als er maar een beperkt aantal (150) soorten moet worden beschreven. Het probleem met veldgidsen is dat het meestal encyclopedietjes zijn, vasthoudend aan de traditionele indeling in geslachten en families.

http://wnet.bos.nl/vlinderstichting

    • Wim Köhler